Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
14/2180 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts over de medische situatie van appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2180 ZW

Datum uitspraak: 30 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

12 maart 2014, 13/1540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Meys, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.M.G. Gubbels, kantoorgenoot van mr. Meys. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is minder van 15% arbeidsongeschikt geacht in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, nadat zij - volgend op een ziekmelding op 27 april 1998 - de wachttijd had volgemaakt. Zij is daarna in dienst getreden bij een voetbalvereniging, waar zij kantine-, poets- en waswerkzaamheden is gaan verrichten. Op 15 oktober 2012 heeft zij zich ziek gemeld wegens rug- en schouderklachten. Per 1 januari 2013 is haar dienstverband beëindigd.

1.2.

Naar aanleiding van haar ziekmelding heeft appellante op 13 februari 2013 het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv bezocht. Deze arts heeft overwogen dat zij met ingang van 18 februari 2013 in staat moet worden geacht haar arbeid te verrichten. Bij besluit van

13 februari 2013 heeft het Uwv de aan appellante toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 18 februari 2013 beëindigd. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts van 13 februari 2013 ten grondslag. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 9 april 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 9 april 2013 ten grondslag.

2. Tegen het bestreden besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen naar de medische gezondheidstoestand van appellante voldoende zorgvuldig is geweest.

2.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de medische gezondheidstoestand van appellante zowel in fysiek als psychisch opzicht en de daaruit voortvloeiende beperkingen vergeleken met haar belastbaarheid zoals verwoord in een zogenoemd FIS-formulier van

26 februari 1999 en geconcludeerd dat dit formulier nog onveranderd aan de orde is. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij zijn onderzoek geen vermindering van de belastbaarheid van appellante kunnen vaststellen en haar geschikt geacht voor de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor de psychische klachten van appellante geen psychopathologie kunnen objectiveren. De rechtbank heeft geoordeeld dat op grond van de ter beschikking staande medische gegevens en de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd moet worden dat appellante vanaf de datum in geding niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt was voor haar arbeid.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante, verkort weergegeven, aangevoerd dat zij niet in staat is de kenmerkende werkzaamheden, behorend bij haar maatgevende arbeid, te verrichten. Voorts heeft appellante naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante geen nieuwe medische geobjectiveerde gegevens heeft aangevoerd. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat haar huidige belastbaarheid overeenkomt met die zoals is vastgesteld in het FIS-formulier uit 1999.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is – voor zover hier van belang – bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de medische situatie van appellante op de datum in geding. Deze arts heeft appellante gezien, lichamelijk en geestelijk onderzocht, dossierstudie verricht en informatie van de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken. Hij heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellantes rug en schouder nog overeenkomt met de belastbaarheid die blijkt uit het

FIS-formulier uit 1999.

4.3.

In zijn nader rapport van 8 augustus 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat uit het lichamelijk onderzoek geen opvallende beperkingen in de bewegingsuitslagen naar voren zijn gekomen die de door appellante geclaimde nekklachten kunnen verklaren. De degeneratieve afwijkingen zijn licht van aard. Deze arts heeft toegelicht dat de voor appellante aangenomen beperking van niet meer dan 150 keer bukken per uur - bij een normaalwaarde van 600 keer bukken per uur - aanzienlijk is voor deze geringe afwijkingen. Ook voor de artrose in de linkerschouder, die niet progressief is geweest, zijn aanzienlijke beperkingen aangenomen, namelijk voor werken boven schouderhoogte een reductie van de normaalwaarde van 1200 keer per uur tot 150 keer per uur, wat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zeker passend is bij de in de schouder vastgestelde afwijkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er wel veranderingen zijn ten opzichte van de eerder in 1999 vastgestelde belastbaarheid, maar dat appellante wel geschikt is te achten voor haar haar laatstelijk verrichte arbeid op de datum in geding. Wat appellante heeft aangevoerd, geeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. Veenstra

NK