Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
14-2106 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen gezamenlijke huishouding. Beroep op verjaring slaagt niet. Hoogte aflossingsbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2106 WWB, 14/2107 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 maart 2014, 13/5360 en 13/5358 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [appellante] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld en tevens verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Namens appellante is

mr. Dayala verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Appellante stond sinds 13 augustus 1997 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) ingeschreven op het [adres] te [woonplaats] (adres van appellante). Zij heeft vier kinderen, waarvan in elk geval twee met [naam] (L).

1.2.

L ontving ten tijde hier van belang eveneens bijstand. Hij stond in de periode van

25 november 1994 tot 12 juni 2003 in de GBA ingeschreven op het adres van appellante.

1.3.

Naar aanleiding van een anonieme schriftelijke tip van 22 februari 2012 dat appellante en L samenwonen, heeft een handhavingspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de handhavingspecialist administratief vooronderzoek en dossieronderzoek verricht, een huisbezoek afgelegd op het adres van appellante en buurtbewoners gehoord. Voorts zijn L en appellante gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt rapport van 3 mei 2012.

1.4.

Bij besluit van 16 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 september 2013, heeft het college de bijstand van L herzien over de periode van 13 augustus 1997 tot en met 11 juni 2003 (te beoordelen periode) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 24.533,54 van L teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat L de inlichtingenverplichting heeft geschonden door te verzwijgen dat hij met appellante een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

1.5.

Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college appellante hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de vordering van L en het teruggevorderde bedrag van € 24.533,54 mede van appellante teruggevorderd.

1.6.

Bij afzonderlijk besluit van 16 mei 2013 heeft het college de aflossingsverplichting van appellante vastgesteld op een maandelijkse termijn van € 39,66, die op de bijstand wordt ingehouden. Daarbij heeft het college bepaald dat rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet als bedoeld in de artikel 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

1.7.

Bij afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2013 (bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 16 mei 2013 ongegrond verklaard. Aan deze besluiten heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante en L in de te beoordelen periode hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Omdat appellante en L samen kinderen hebben, bestaat op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet werk en bijstand (WWB) het rechtsvermoeden dat appellante en L in die periode een gezamenlijke huishouding voerden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Terugvordering

4.1.

Het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 59, tweede lid, van de WWB, dat ten tijde hier van belang van toepassing was. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2.

Voor de vaststelling dat appellante die persoon is, is vereist dat appellante in de beoordelen perioden met L een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, als bedoeld in

artikel 3, tweede lid, van de Abw, welke wet in die periode van toepassing was. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien appellante en L hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

4.3.

Tussen partijen is gelet op wat ter zitting namens appellante naar voren is gebracht niet meer in geschil dat appellante en L in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verlening van gezinsbijstand is niettemin achterwege gebleven omdat L de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59,

tweede lid, van de WWB.

4.4.

Appellante doet uitsluitend nog een beroep op verjaring. Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9784) is de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand vijf jaar en vangt deze aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt. Het college is naar het oordeel van de Raad eerst op grond van de bevindingen van het onder 1.3 genoemde rapport van 3 mei 2012 op de hoogte geraakt van de feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van onverschuldigd betaalde bijstand. Dat het college volgens appellante al vanaf 1996 door middel van de door haar overgelegde huurovereenkomst en door de inschrijving in de GBA van L op het adres van appellante, op de hoogte was van de omstandigheid dat L een kamer op het adres van appellante huurde, en dat het college door inschrijving van een gezamenlijk kind, [naam kind], in de GBA, redelijkerwijs op de hoogte was van de relatie tussen L en appellante, doet aan het vorenstaande niet af. Het lag op de weg van L om het college tijdig op de hoogte te stellen van het feit dat hij met appellante een gezamenlijke huishouding voerde.

Invordering

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat het college geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet bij het bepalen van de maandelijkse aflossing. Ter zitting is namens appellante in dit verband aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de extra kosten van de (klein)kinderen die op haar adres woonachtig zijn.

4.6.

Deze grond slaag niet, reeds omdat deze op geen enkele wijze is onderbouwd. Appellante heeft niet aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is tot de aflossing van het teruggevorderde bedrag dan wel dat zij door te voldoen aan de aflossing niet langer zou beschikken over een inkomen ter grootte van ten minste de voor haar geldende beslagvrije voet.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.8.

Gelet op deze uitkomst is er geen ruimte voor veroordeling van het college tot vergoeding van schade, zodat het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) A. Stuut

HD