Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1100

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
14-6120 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedrag nabetaling. Herhaling beroepsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6120 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 september 2014, 14/1413 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Appellante is verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 17 december 2010 heeft het college de ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 augustus 2009 ingetrokken. Bij besluit van 28 januari 2011 heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 tot een bedrag van € 2.258,45 van appellante teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 10 mei 2011 heeft het college het besluit van

17 december 2010 herroepen.

1.2.

Bij besluit van 17 juni 2011, voor zover hier van belang, heeft het college vastgesteld dat het aan appellante bijstand moet nabetalen die zij over de periode vanaf 1 augustus 2009 ten onrechte niet heeft ontvangen. Bij de berekening van de hoogte van de nabetaling heeft het college rekening gehouden met aan appellante over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 reeds uitbetaalde bijstand tot een bedrag van € 2.258,45.

1.3.

Bij besluit van 26 september 2011 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van

17 juni 2011 gegrond verklaard en bepaald dat appellante recht heeft op een extra nabetaling van € 3,45.

1.4.

Bij uitspraak van 12 juni 2012 (ECLI:NL:RBUTR:2012:4630) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 september 2011 ongegrond verklaard.

1.5.

De Raad heeft bij uitspraak van 19 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2474), voor zover van belang, de in 1.4 vermelde uitspraak vernietigd, het beroep tegen het besluit van

26 september 2011 gegrond verklaard en het besluit van 26 september 2011 voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van het te verrekenen bedrag over de periode van

1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 vernietigd. De Raad heeft het college de opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen over de hoogte van de aan appellante over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 uit te keren nabetaling en de wettelijke rente over het na te betalen bedrag met inachtneming van deze uitspraak.

1.6.

Ter uitvoering van de in 1.5 vermelde uitspraak heeft het college op 5 februari 2014 een nieuw besluit op bezwaar (bestreden besluit) genomen. Het college heeft na het opnieuw bezien van de uitkeringssituatie en de uitkeringsadministratie van appellante door de afdeling Werk en Inkomen, vastgesteld dat over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 aan appellante het juiste bedrag aan bijstand is verleend, te weten € 712,29 per maand, in totaal € 2.136,87 (drie maanden maal € 712,29) en dat met betrekking tot wat over de jaren 2009 en 2010 is nabetaald de wettelijke rente reeds is uitbetaald.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Het college heeft gesteld dat appellante over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 recht heeft op een netto nabetaling van in totaal € 2.136,87 (drie maanden maal een netto maandbedrag van € 712,29). Dit netto maandbedrag van € 712,29 bestaat uit twee componenten. Het eerste component ziet op een bedrag van € 647,54, zijnde de norm die voor appellante geldt, namelijk de alleenstaande norm op grond van artikel 21 van de WWB zoals die gold in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009. Het tweede component ziet op een bedrag van € 64,75, zijnde de woontoeslag van 5% waarvoor appellante gezien haar woon- en leefsituatie in deze periode in aanmerking kwam. Het college heeft voorts gesteld dat van het bedrag van € 647,54 een bedrag van € 35,61 ziet op de in de bijstand begrepen vakantietoeslag. De rechtbank stelt gezien het procesdossier voorts vast dat het college het netto bedrag van € 2.136,87, dat deel uitmaakt van een netto bedrag van

€ 3.561,45 (= vijf maanden (te weten augustus 2009 tot en met december 2009) maal

€ 712,29), door overschrijving naar een bankrekening van appellante heeft betaald, nu dit bedrag op 29 juni 2011 op vorenbedoelde rekening van appellante is bijgeschreven. De rechtbank wijst hier op de door appellante overgelegde internetuitdraaien van 4 maart 2014 van in het jaar 2011 verrichte bij- en afschrijvingen met betrekking tot haar ING-rekening met rekeningnummer [nummer]. Op deze internetuitdraaien is op 29 juni 2011 het bedrag van € 3.561,45 bijgeschreven. De rechtbank stelt voorts vast dat het college bij besluit van 8 juli 2011 wettelijke rente heeft toegekend over de na te betalen bijstand over de periode van 1 augustus 2009 tot en met 9 januari 2011, door het college berekend en vastgesteld op een bedrag van € 354,60. De rechtbank stelt vast dat appellante deze berekening niet gemotiveerd en/of onderbouwd heeft weersproken. De rechtbank stelt vast dat het college het bedrag van € 354,60 door overschrijving naar een bankrekening van appellante heeft bijgeschreven, nu dit bedrag op 11 juli 2011 op vorenbedoelde rekening van appellante is bijgeschreven. De rechtbank wijst naar de genoemde internetuitdraaien, waarop op 11 juli 2011 de bijschrijving staat van € 354,60. Gelet hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen nadere nabetaling met betrekking tot de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 oktober 2009 aan appellante hoeft te doen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat de vakantietoeslag bij de nabetaling niet aan haar is uitbetaald. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante gewezen op haar berekeningen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dat wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.

4.2.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) W. de Braal

HD