Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
14-4140 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstand voor minderjarige die bij oma en voogd verblijft. Uitsluitingsgrond. Inkomen van verzorgers speelt rol bij beoordeling zeer dringende redenen. Geen rechtsongelijkheid. Geen discriminatie.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/78
JWWB 2016/88
USZ 2016/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4140 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2014, 14/593 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft zijn wettelijk vertegenwoordiger [naam 1] ( [wettelijk vertegenwoordiger] ) hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2016. Namens appellant is verschenen [wettelijk vertegenwoordiger] , vergezeld van zijn echtgenote [naam 2] en bijgestaan door

[naam 3] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Boogaard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 24 april 2013 hebben [wettelijk vertegenwoordiger] en [naam 2] namens appellant, geboren [in ]

2012, een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. [naam 2] is de grootmoeder van appellant. [wettelijk vertegenwoordiger] is zijn voogd. De vader van appellant heeft hem niet erkend. Zijn moeder heeft appellant op 23 december 2012 bij zijn grootmoeder en [wettelijk vertegenwoordiger] achtergelaten. Sindsdien hebben zij de zorg over appellant. In verband met de minderjarigheid van de moeder van appellant is [wettelijk vertegenwoordiger] indertijd benoemd tot voogd.

1.2.

Bij besluit van 5 juli 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 januari 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant als minderjarige geen recht op bijstand heeft, dat bijstand alleen kan worden verleend indien daarvoor zeer dringende redenen zijn, maar dat daarvan in het geval van appellant geen sprake is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2.

Ter zitting is namens appellant verzocht om het college te veroordelen tot vergoeding van schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 24 april 2013 tot en met 5 juli 2013.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant voor de toepassing van de WWB als zelfstandig subject moet worden beschouwd.

4.3.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft een persoon die jonger is dan 18 jaar geen recht op bijstand. Het college was daarom in beginsel niet bevoegd de aanvraag om bijstand van appellant toe te kennen.

4.4.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden en in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

4.5.

Omdat appellant een minderjarig kind is van Nederlandse nationaliteit dient de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen te worden bezien in het licht van artikel 3, eerste en tweede lid, en artikel 27, derde lid, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) (uitspraken van 29 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3468, en 19 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2780).

4.6.1.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het inkomen van zijn voogd en zijn grootmoeder toereikend moet worden geacht. Appellant stelt in dit verband dat zijn voogd en zijn grootmoeder bijzondere uitgaven hebben gedaan en hiervoor leningen bij derden hebben moeten afsluiten om hem te kunnen verzorgen, terwijl zij als pleegouders niet onderhoudsplichtig zijn en ook geen aanspraak kunnen maken op de inkomensonafhankelijke pleegzorgvergoeding.

4.6.2.

De Raad begrijpt het betoog van appellant aldus, dat hij zich op het standpunt stelt dat bij de beoordeling of sprake is van zeer dringende redenen om hem bijstand toe te kennen, het inkomen van zijn voogd en grootmoeder geen rol mag spelen.

4.6.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of in het licht van de in 4.5 genoemde bepalingen van het IVRK sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB, dienen deze verdragsbepalingen te worden bezien in samenhang met de overige bepalingen van het IVRK. In dit verband is van belang dat ingevolge artikel 27, tweede lid, van het IVRK de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind bij de ouders of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind ligt. Nu [wettelijk vertegenwoordiger] als voogd verantwoordelijk is voor appellant en feitelijk met de grootmoeder voor appellant zorgt, dienen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zeer dringende redenen in het licht van het IVRK ook de financiële mogelijkheden van [wettelijk vertegenwoordiger] om voor appellant te zorgen te worden betrokken. Het antwoord op de vraag of [wettelijk vertegenwoordiger] als voogd onderhoudsplichtig is voor appellant, doet daaraan niet af. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het inkomen van pleegouders niet van belang is bij de beantwoording van de vraag of pleegouders recht hebben op een pleegzorgvergoeding op grond van de in de beoordelingsperiode van toepassing zijnde Wet op de Jeugdzorg.

4.7.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat sprake is van rechtsongelijkheid, omdat diverse gemeenten in vergelijkbare gevallen wel tot bijstandverlening zijn overgegaan. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De WWB voorziet in gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van verschillende uitvoering per gemeente is daarmee gegeven (uitspraak van 23 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3147).

4.8.

Appellant heeft tot slot aangevoerd dat sprake is van discriminatie omdat bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen geen onderzoek wordt gedaan naar eventueel kapitaalkrachtige ouders. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant wordt immers, anders dan alleenstaande minderjarige vreemdelingen, feitelijk verzorgd door zijn voogd en zijn grootmoeder. Van verboden onderscheid tussen gelijke gevallen is hier dan ook geen sprake.

4.9.

Uit wat in 4.5 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van de gronden, worden bevestigd. Voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding is geen grond.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en E.C.R. Schut en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) B. Fotchind

HD