Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
04-04-2016
Zaaknummer
15-2628 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorten en intrekken. Gevraagde bankafschriften niet overgelegd. Aanleiding niet vereist. Transactieoverzicht niet voldoende. Verwijt.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Wet werk en bijstand 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2628 WWB, 15/3134 WWB, 15/3138 WWB

Datum uitspraak: 29 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 maart 2015, 14/3355 en 14/3553 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Het college heeft voorts een verweerschrift ingediend en tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft verweerschriften en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat en kantoorgenoot van mr. Brauer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J.P. Pozun.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontving sinds 14 februari 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een verblijf van betrokkene in het buitenland, is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. In dat kader heeft het college betrokkene bij brief van 26 mei 2014 verzocht vóór 6 juni 2014 nader genoemde gegevens, waaronder bankafschriften van de laatste drie maanden, te verstrekken. Betrokkene heeft op 2 juni 2014 onder meer een transactieoverzicht van zijn bankrekening over de periode van 3 maart 2014 tot en met 29 mei 2014 overgelegd.

1.3.

Bij brief van 10 juni 2014 heeft het college betrokkene in de gelegenheid gesteld vóór

17 juni 2014 nader genoemde gegevens, waaronder bankafschriften, te verstrekken. Over de gevraagde bankafschriften heeft het college in deze brief het volgende vermeld: “Bankafschriften van de afgelopen 3 maanden, met hierop zichtbaar begin- en eindsaldo en waarop de mutaties duidelijk te zien zijn als bijschrijving of afschrijving. De recent ingeleverde afschriften zijn niet akkoord bevonden. U kunt via internetbankieren bankafschriften downloaden. Ik verwijs u hiervoor naar de website van uw bank.” Betrokkene heeft op 18 juni 2014 onder meer een transactieoverzicht van zijn bankrekening over de periode van 13 mei 2014 tot en met 14 juni 2014 overgelegd.

1.4.

Omdat betrokkene niet de gevraagde gegevens heeft verstrekt, heeft het college bij besluit van 19 juni 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2014 (bestreden

besluit 1), met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB het recht op bijstand van betrokkene met ingang van 17 juni 2014 opgeschort. Betrokkene is daarbij in de gelegenheid gesteld vóór 27 juni 2014 de gevraagde gegevens, waaronder de bankafschriften, te verstrekken. Daarbij is betrokkene tevens medegedeeld dat op de bankafschriften een

begin- en eindsaldo en mutaties als bijschrijving of afschrijving zichtbaar moeten zijn en dat de recent ingeleverde bankafschriften niet akkoord zijn bevonden.

1.5.

Betrokkene heeft op 26 juni 2014 wederom een uitdraai van zijn bankrekening overgelegd, waarop geen begin- en eindsaldo en evenmin mutaties als bijschrijving of afschrijving zichtbaar zijn. Bij brief van 24 juli 2014 heeft betrokkene - na ontvangst van zijn uitkeringsspecificatie over de maand juni 2014 - een klacht ingediend over de halvering van zijn uitkering. Daarbij heeft hij verklaard dat hij de gevraagde bewijsstukken heeft afgegeven bij de balie en vervolgens niks meer heeft gehoord. Betrokkene heeft verzocht zijn bijstandsuitkering weer te hervatten. Het college heeft in overleg met betrokkene de brief van 24 juli 2014 meegenomen in de beoordeling van zijn bezwaar tegen het onder 1.4 genoemde besluit van 19 juni 2014 en betrokkene bij brief van 7 augustus 2014 medegedeeld dat de klacht daarmee is afgehandeld.

1.6.

Bij besluit van 30 juli 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 november 2014 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van betrokkene op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 17 juni 2014 ingetrokken. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat betrokkene niet tijdig de gevraagde bankafschriften met begin- en eindsaldo heeft verstrekt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit 2 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene gericht tegen de intrekking van de bijstand. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat weergegeven, overwogen dat het college de gevraagde bankafschriften heeft mogen opvragen, zodat reeds daarom het beroep tegen de opschorting ongegrond is. Ten aanzien van de intrekking van de bijstand heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene geen verwijt kan worden gemaakt van het onvolledig aanleveren van de bankafschriften. Vaststaat dat de door betrokkene aanvankelijk verstrekte gegevens inhoudelijk juist waren. Uit de in 1.5 genoemde klacht van betrokkene kan verder worden opgemaakt dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij alles wat was gevraagd had overgelegd en aannemelijk is dat hij niet heeft begrepen wat ten aanzien van de bankgegevens van hem werd verwacht. Het college heeft de communicatie naar betrokkene echter niet aangepast, maar opnieuw dezelfde vraag gesteld.

3.1.

Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het de opschorting betreft. Betrokkene stelt dat er geen enkele aanleiding was om hem aan een heronderzoek te onderwerpen. Hij heeft immers reeds voor zijn reis naar Egypte stukken overgelegd over zijn reis. Het toch verlangen van allerlei gegevens is willekeurig en discriminatoir. Het college was daarom niet bevoegd het recht op bijstand op te schorten. Verder stelt betrokkene dat hij wel tijdig zodanige gegevens heeft verstrekt dat er ook om die reden geen enkele aanleiding was het recht op bijstand op te schorten.

3.2.

Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het de intrekking betreft. Het college heeft aangevoerd dat betrokkene er duidelijk op gewezen is dat hij noch bankafschriften noch gedownloade bankafschriften heeft verstrekt van de afgelopen drie maanden waarop het begin- en eindsaldo en de mutaties als bijschrijving of afschrijving zichtbaar zijn. Het had op de weg van betrokkene gelegen om contact op te nemen met het college nadat hij erop was gewezen dat de overgelegde computeruitdraaien niet de gevraagde gegevens betreffen. De rechtbank trekt ten onrechte uit de ingediende klacht de conclusie dat aannemelijk zou zijn dat betrokkene niet heeft begrepen wat van hem werd verwacht. Geenszins valt uit te sluiten dat betrokkene de brieven niet goed heeft gelezen, hetgeen voor zijn rekening en risico komt. Aan de vaststelling dat de aanvankelijk verstrekte (onvolledige) gegevens inhoudelijk juist waren, kan geen betekenis toekomen, nu op het moment van de intrekking de gevraagde stukken niet waren verstrekt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep betrokkene: opschorting

4.1.1.

Op grond van artikel 53a van de WWB, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, is het college bevoegd om onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van

14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1231) kan deze bevoegdheid (algemene onderzoeksbevoegdheid) steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden en is daartoe - anders dan betrokkene betoogt - dus geen daaraan voorafgaand en redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist. Gelet hierop valt niet in te zien dat het college niet op enig moment een onderzoek mocht instellen naar het recht op bijstand van betrokkene.

4.1.2.

Het college heeft met het opvragen van gegevens bij betrokkene het oogmerk gehad het verrichten van onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de WWB. Het college heeft ter zitting verklaard dat in het kader van een incidenteel of periodiek heronderzoek standaard bankafschriften van de afgelopen periode worden opgevraagd bij de betrokkene. De grond van betrokkene dat het college hierbij willekeurig en discriminatoir heeft gehandeld, heeft hij desgevraagd ter zitting van de Raad niet nader kunnen onderbouwen en ook overigens zijn hiervoor geen aanknopingspunten voorhanden, zodat deze grond reeds daarom niet slaagt.

4.2.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover betrokkene niet binnen de hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Niet in geschil is dat de gevraagde bankafschriften van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Evenmin is in geschil dat betrokkene de gevraagde bankafschriften, waarop een begin- en eindsaldo en de mutaties als bijschrijving of afschrijving zichtbaar zijn, niet binnen de geboden termijn heeft verstrekt.

4.4.

De grond van betrokkene dat hij met de tijdig overgelegde uitdraaien van de bankrekening waarop mutaties te zien zijn reeds voldoende inzicht heeft gegeven in zijn bankrekening, slaagt niet. Op deze uitdraaien staan immers geen begin- en eindsaldi vermeld en is bij de mutaties niet zichtbaar of dit een bijschrijving of afschrijving betreft. Van een simpele rekensom van de mutaties, zoals betrokkene stelt, is dan ook geen sprake. Het college heeft dan ook terecht gevraagd om (gedownloade) bankafschriften waarop saldi en mutaties als bijschrijving of afschrijving zichtbaar zijn.

4.5.

De grond van betrokkene dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het niet volledig verstrekken van de gevraagde bankafschriften, omdat hij in de veronderstelling verkeerde met de uitdraaien de gevraagde gegevens te hebben verstrekt, slaagt evenmin. In de in 1.3 genoemde brief van 10 juni 2014 heeft het college expliciet gevraagd naar (gedownloade) bankafschriften waarop een begin- en eindsaldo en mutaties als bijschrijving of afschrijving zichtbaar zijn. Ook heeft het college medegedeeld dat de eerder verstrekte uitdraai niet akkoord is. Daaruit had het betrokkene duidelijk kunnen zijn dat met het wederom overleggen van een uitdraai van mutaties van zijn bankrekening niet de door het college gevraagde gegevens worden verstrekt. Indien de herhaalde vraag om de gevraagde bankafschriften voor betrokkene niet duidelijk was, had het op de weg van betrokkene gelegen daarover, al dan niet met behulp van een derde, bij het college nadere verduidelijking te verkrijgen.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het college op grond van artikel 54, eerste lid, van de WWB bevoegd was tot opschorting van het recht op bijstand met ingang van 17 juni 2014 en dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. De aangevallen uitspraak, voor zover het de opschorting betreft, zal daarom worden bevestigd.

Incidenteel hoger beroep college

5. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van betrokkene slaagt. Nu het hoger beroep van betrokkene niet slaagt, is deze voorwaarde niet vervuld. Gelet op het bepaalde in artikel 8:112, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht vervalt het incidenteel hoger beroep van het college en wordt aan een inhoudelijke bespreking daarom niet toegekomen.

Hoger beroep college: intrekking

6.1.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

6.2.1.

Uit 4.3 volgt dat de gevraagde bankafschriften van belang zijn voor het recht op bijstand. Voorts is niet in geschil dat betrokkene de gevraagde bankafschriften niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of betrokkene verweten kan worden dat hij verzuimd heeft tijdig de gevraagde bankafschriften te verstrekken.

6.2.2.

Het college heeft terecht aangevoerd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, betrokkene kan worden verweten dat hij heeft verzuimd tijdig de gevraagde bankafschriften te verstrekken. Uit 4.5 volgt dat het op de weg van betrokkene ligt om in geval van eventuele onduidelijkheid over de gevraagde gegevens daarover opheldering te vragen bij het college. In de brief van 10 juni 2014 is immers in duidelijke bewoordingen, die zijn herhaald in het opschortingsbesluit, omschreven welke bankgegevens betrokkene diende over te leggen. In het opschortingsbesluit heeft het college betrokkene bovendien gewaarschuwd dat zijn uitkering wordt stopgezet als hij de gevraagde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig inlevert. Dat betrokkene in de veronderstelling verkeerde dat de door hem overgelegde gegevens de gevraagde gegevens waren, wat daar ook van zij, komt daarom voor zijn rekening en risico.

6.2.3.

Betrokkene heeft verder aangevoerd dat hem door zijn psychische gesteldheid niet kan worden verweten dat hij niet de gevraagde bankafschriften heeft verstrekt. Betrokkene heeft daartoe een rapportage medisch advies inzake WWB van de GGD Zuid Limburg van 10 april 2015 overgelegd. Hieruit blijkt weliswaar dat bij betrokkene sprake is van psychische klachten, maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene, al dan niet met hulp van derden, niet in staat was tijdig de gevraagde gegevens te verstrekken dan wel nader uitstel te verzoeken. Dit betekent dat betrokkene van het niet tijdig overleggen van de gevraagde bankafschriften een verwijt kan worden gemaakt.

6.3.

Uit 6.1 en 6.2 volgt dat het hoger beroep van het college slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover het de intrekking betreft, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.

7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het de opschorting betreft;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het de intrekking betreft;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 november 2014 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en G.M.G. Hink en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) J.L. Meijer

HD