Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1090

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
31-03-2016
Zaaknummer
15/4002 AW e.v.
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2684, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgang naar LFNP-functie. Beroep door rechtbank gegrond verklaard. Hoger beroep van betrokkene faalt. De rechtbank heeft de TPT terecht aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en geoordeeld dat deze als grondslag voor het bestreden besluit mag dienen. Hoger beroep korpschef slaagt. De weigering toepassing te geven aan hardheidsclausule, is voldoende gemotiveerd. Het is inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan dan ook niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4002 AW, 15/4126 AW, 15/4127 AW, 15/5569 AW, 15/5603 AW

Datum uitspraak: 17 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 april 2015, 14/3632 AW en 14/3634 AW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene 1] te [woonplaats 1] (betrokkene 1) en [betrokkene 2] te [woonplaats 2] (betrokkene 2)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene 1 heeft mr. M. Scheggetman hoger beroep ingesteld.

Betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 21 juli 2015 nieuwe beslissingen op bezwaar genomen. Betrokkenen hebben daarop een reactie gegeven.

Nadat partijen schriftelijk toestemming hebben gegeven een zitting achterwege te laten, is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt, nr. 13079). Voor een uitzeenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.1.

De uitgangspositie voor de omzetting naar het LFNP van betrokkene 1 is van

31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 vastgesteld op de functie van Arrestantenverzorger A en vanaf 1 april 2011 tot en met 31 december 2011 op de functie van Arrestantenverzorger B. Bij besluit van 5 januari 2012 is betrokkene 1 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 bevorderd van salarisschaal 5 naar salarisschaal 6 en is zijn functie per gelijke datum gewijzigd van Arrestantenverzorger B in de functie van Senior Arrestantenverzorger. Deze laatste functie is tevens zijn (nieuwe) uitgangspositie voor de omzetting naar het LFNP.

1.2.2.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van betrokkene 1 besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Assistent Beveiliging B, met bijbehorende salarisschaal 5. Omdat er na 31 december 2011 nog een formele wijziging is geweest, is tevens een wijzigingsbesluit LFNP genomen, inhoudende dat de functie van Senior Arrestantenverzorger op basis van artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) conform de transponeringstabel (TPT) met ingang van 1 januari 2012 wordt gewijzigd in de functie van Medewerker Beveiliging, met bijbehorende salarisschaal 6.

1.3.1.

De uitgangspositie voor de omzetting naar het LFNP van betrokkene 2 is van

31 december 2009 tot en met 31 december 2011 vastgesteld op de functie van Senior Arrestantenverzorger, aangevuld met de taakaccenten “Planning en Instr. ID.doc herkenning”.

1.3.2.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van betrokkene 2 besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Medewerker Beveiliging, met bijbehorende salarisschaal 6.

1.4.

Bij besluiten van 2 mei 2014 (bestreden besluiten) is het tegen de besluiten van

16 december 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkenen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en opdracht gegeven tot het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat en voor zover hier van belang, overwogen dat de TPT, behorende bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), evenals de Regeling zelf als een algemeen verbindend voorschrift is te beschouwen en dat daaraan niet zodanig ernstige tekortkomingen kleven dat deze niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de jegens betrokkenen tot stand gebrachte besluitvorming. Ten aanzien van het wijzigingsbesluit van betrokkene 1 heeft de rechtbank overwogen dat dit besluit op een voldoende juridische grondslag berust nu het is gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van het Bbp en de TPT. Gesteld noch gebleken is dat betrokkene op enig moment anders is behandeld voor wat betreft de overgang naar een LFNP-functie dan zijn collega’s waarbij de korpsfunctie niet is gewijzigd na 31 december 2011. De rechtbank heeft voorts overwogen niet het standpunt van de korpschef te delen dat deze geen ruimte heeft voor toepassing van de in artikel 5, vierde lid, van de Regeling opgenomen hardheidsclausule indien dat zou leiden tot een andere uitkomst dan wordt gedicteerd door de (laatste stap van de) matching. Indien een beroep wordt gedaan op de hardheidsclausule en de korpschef wenst dit beroep niet te honoreren, dan zal hij, aldus de rechtbank, gemotiveerd en onderbouwd moeten stellen waarom hij van mening is dat het resultaat van de matching in het bewuste individuele geval voorzienbaar was of in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de matching voor betrokkenen een verschraling van hun functies inhoudt. De bestreden besluiten lijden op dit punt aan een motiveringsgebrek.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Het hoger beroep van betrokkene 1

3.1.

Betrokkene 1 heeft aangevoerd dat de rechtbank de TPT ten onrechte heeft aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift en dat deze niet als grondslag voor het bestreden besluit had mogen dienen. Ter zake wordt verwezen naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Het overwogene in die uitspraak in aanmerking genomen, stelt betrokkene op zichzelf beschouwd terecht dat de TPT het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, maar dat neemt niet weg dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar.

3.2.

Betrokkene 1 heeft verder aangevoerd dat een analoge toepassing van de Regeling en de TPT na 1 januari 2012 een niet toegestane wijziging daarvan inhouden, mede omdat een dergelijke wijziging niet met de politiebonden is afgesproken. Reeds in 2012 was het al mogelijk om betrokkene 1 direct in een LFNP-functie aan te stellen. Dit betoog slaagt niet. Met de korpschef en de rechtbank is de Raad van oordeel dat het niet onjuist is om bij een wijziging na 1 januari 2012 de toekenning van en de overgang naar een LFNP-functie op gelijke wijze en volgens dezelfde regels uit te voeren, als in de periode voor 1 januari 2012. Indien de korpschef ten aanzien van de medewerkers met gewijzigde werkzaamheden in de periode vanaf 1 januari 2012 de Regeling en de TPT niet (analoog) zou toepassen, zou dat betekenen dat de korpsfuncties niet voor alle medewerkers op gelijke wijze overgaan naar een LFNP-functie. Dit acht de Raad niet aanvaardbaar. De door appellant voorgestane uitkomst zou voorts in strijd zijn met het doel en de strekking van de Regeling, waarmee blijkens de Toelichting op de Regeling landelijke uniformiteit en een consistente werkwijze zijn beoogd ter voorkoming van willekeur. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat met de beslissing de Regeling en de TPT analoog toe te passen op aanstellingen of wijzigingen in een korpsfunctie vanaf 1 januari 2012, geen sprake is van een wijziging van de Regeling en de TPT waarvoor (opnieuw) overeenstemming met het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken zou zijn vereist.

3.3.

Betrokkene 1 heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het hoger beroep van betrokkene 1 slaagt dus niet.

Het hoger beroep van de korpschef

3.4.

Het hoger beroep van de korpschef is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de bestreden besluiten, op het punt van de weigering toepassing te geven aan hardheidsclausule, een motiveringsgebrek kleeft. Betrokkenen hebben zich in dit verband op het standpunt gesteld dat door de matching een verschraling van hun functie optreedt. Anders dan de rechtbank en met de korpschef acht de Raad de in de bestreden besluiten gegeven motivering op dit punt niet ontoereikend. Daarin staat immers vermeld dat geen sprake is van onbillijkheden van overwegende aard en dat in hetgeen betrokkenen aanvoeren, geen reden is gelegen om af te wijken van de matchingssystematiek. De korpschef heeft hiertoe verwezen naar zijn uitleg over deze systematiek en in het bijzonder naar hetgeen hij heeft overwogen met betrekking tot de gronden van betrokkenen tegen deze systematiek. Met dit betoog is naar het oordeel van de Raad wel degelijk aangegeven, waarom, in de woorden van de rechtbank, het resultaat van de matching in het bewuste individuele geval voorzienbaar was of in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever. Weliswaar was het beter geweest als de motivering op dit punt wat uitgebreider en meer op de persoon van betrokkenen toegesneden was geweest, maar van een motiveringsgebrek kan niet worden gesproken. Verder is, zoals de Raad in zijn meergenoemde uitspraak van 1 juni 2015 heeft overwogen, inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan dan ook niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling.

3.5.

Het hoger beroep van de korpschef slaagt dus. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaren. Daarmee komt de grondslag te ontvallen aan de besluiten van 21 juli 2015. De Raad zal die besluiten eveneens vernietigen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten van 2 mei 2014 ongegrond;

- vernietigt de besluiten van 21 juli 2015.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) P.W.J. Hospel

HD