Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1086

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
14/793 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heroverweging in bezwaar heeft plaats gevonden in het kader van het werkgeversbezwaar dat zag op toekenning van een IVA-uitkering. Dit bezwaar heeft het Uwv terecht aanleiding gegeven tot een volledige heroverweging en, in dat kader, tot nader onderzoek. Uit dat onderzoek zijn nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gekomen die hebben geleid tot de vaststelling dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv is hiermee niet buiten de omgang van het geding getreden. Deugdelijke medische grondslag. Geen twijfel aan de in de FML vastgelegde belastbaarheid. De geduide functies overschrijden de belastbaarheid van appellant niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/793 WIA

Datum uitspraak: 25 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 december 2013, 13/1846 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Als partij heeft tevens aan het geding deelgenomen Gemeente Alphen aan den Rijn (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.W. Kempe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kempe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als stadswacht voor 36 uur per week. Op 13 februari 2004 heeft hij zich ziek gemeld vanwege knieklachten. Tevens heeft appellant rugklachten. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is aan appellant met ingang van 9 februari 2006 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van
80 tot 100%. Na afloop van de loongerelateerde WGA-uitkering is aan appellant bij besluit van 10 november 2008 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, eveneens naar de klasse 80 tot 100%.

1.2.

Bij brief van 22 juni 2012 heeft werkgeefster het Uwv meegedeeld dat zij na de toekenning van de WGA-uitkering, geen bericht heeft gekregen over de uitkeringsrechten bij het einde van de WGA-loongerelateerde uitkering. Tevens heeft zij er op gewezen dat na afloop van een loongerelateerde uitkering, een medisch en arbeidskundig onderzoek had dienen plaats te vinden.

1.3.

Omdat aan het besluit van 10 november 2008 geen actuele medische en arbeidskundige beoordeling ten grondslag lag, heeft het Uwv alsnog onderzoek verricht. Appellant is medisch onderzocht waarna is vastgesteld dat er beperkingen zijn als gevolg van (pijn)klachten aan zijn knie en rug waardoor hij is aangewezen op licht fysieke arbeid. De beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 september 2012. Met deze FML heeft de arbeidsdeskundige geen functies kunnen selecteren waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Deze voorgenomen beslissing is bij brief van
2 oktober 2012 kenbaar gemaakt aan werkgeefster waarna zij heeft meegedeeld het bezwaar te willen voortzetten.

1.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft na expertise van psychiater W.M.J. Hassing geconcludeerd dat, anders dan de verzekeringsarts heeft gemeend, ten aanzien van de psychische belastbaarheid beperkingen dienen te worden aangenomen. Wat betreft de rug- en knieklachten en de diabetes mellitus, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij eigen onderzoek, waarbij informatie van de huisarts en orthopedisch chirurg is betrokken, geen ernstige somatische pathologie gevonden die de forse lichamelijke beperkingen rechtvaardigt zoals vastgesteld door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht appellant op een aantal aspecten minder beperkt en heeft deze beperkingen op
14 februari 2013 in een FML vastgelegd. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die appellant met de vastgelegde beperkingen kan verrichten op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

1.5.

Het Uwv heeft op 25 februari 2013 opnieuw een voornemen tot wijziging van het besluit zowel aan werkgeefster als aan appellant bekend gemaakt waarin is aangegeven dat, in verband met de arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, de WGA-aanvullingsuitkering zes weken na de beslissing op bezwaar zal worden ingetrokken.

1.6.

Bij besluit van 14 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van werkgeefster gegrond verklaard en bepaald dat uit het verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoek is gebleken dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 10 augustus 2008 op 0% moet worden vastgesteld en dat de WGA-loonaanvullingsuitkering met ingang van 25 april 2013, zes weken na de beslissing op bezwaar, zal worden ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe geoordeeld dat niet is gebleken dat het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De verzekeringsarts heeft appellant op de hoorzitting gezien en aanvullend medisch onderzoek verricht. Voorts heeft er een psychiatrische expertise plaatsgevonden en is informatie van de huisarts en orthopedisch chirurg betrokken. De rechtbank zag geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. De voor appellant geselecteerde functies acht de rechtbank in medisch opzicht passend. Met de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven toelichting op de in de geselecteerde functies voorkomende signaleringen heeft het Uwv voldoende gemotiveerd dat deze functies geschikt zijn voor appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat ten onrechte een gehele heroverweging in bezwaar heeft plaatsgevonden omdat het bezwaar van de werkgeefster alleen gericht was op de toekenning van een IVA-uitkering. Daarnaast bestrijdt appellant dat er een juiste bezwaarprocedure is gevolgd omdat hij in de bezwaarprocedure geen gelegenheid heeft gehad zich te verweren tegen het tweede voornemen tot wijziging van het besluit. Voorts is aangegeven dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn ernstige rugklachten en chronische knieklachten. Hierdoor is hij zeer beperkt in zijn bewegingen en houdingen en dienen er meer beperkingen te worden aangenomen. Zijn huidige beperkingen zijn ten minste gelijk aan de beperkingen zoals neergelegd in de FML van 25 januari 2006 toen hem een WIA-uitkering is toegekend. Zijn (pijn)klachten zijn sindsdien niet minder geworden. Appellant is onder behandeling geweest van de pijnpoli, wat geen resultaat heeft opgeleverd. Dat herstel mogelijk is als de depressieve stoornis wordt behandeld, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld, is slechts een veronderstelling temeer omdat de pijnklachten sinds 2004 alleen maar zijn toegenomen. Met zijn klachten kan hij in het geheel geen arbeid verrichten, waardoor hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Tot slot heeft appellant opgemerkt dat hij recht heeft op het ongestoord genot van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De heroverweging in bezwaar heeft plaats gevonden in het kader van het werkgeversbezwaar dat zag op toekenning van een IVA-uitkering. Dit bezwaar heeft het Uwv terecht aanleiding gegeven tot een volledige heroverweging en, in dat kader, tot nader onderzoek. Uit dat onderzoek zijn nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gekomen die hebben geleid tot de vaststelling dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv is hiermee niet buiten de omgang van het geding getreden.

4.2.

Evenmin kan appellant worden gevolgd in de grond dat hij geen verweer heeft kunnen voeren tegen het tweede voornemen tot wijziging van het besluit van 10 november 2008. Het Uwv heeft bij brief van 25 februari 2013 het tweede voornemen tot wijziging aan appellant bekend gemaakt en hem daarbij gewezen op de mogelijkheid om tegen de voorgenomen beslissing binnen twee weken bezwaar in te dienen. Niet is gebleken dat appellant in zijn verweermogelijkheden in bezwaar, in beroep dan wel in hoger beroep ontoelaatbaar is geschaad.

4.3.

In navolging van de rechtbank wordt overwogen dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanvullend onderzoek verricht, een psychiatrische expertise gevraagd en informatie van de huisarts en van de orthopedisch chirurg bij zijn beoordeling betrokken. Voorts kan appellant niet worden gevolgd in zijn stelling dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met de rug- en knieklachten, de diabetes mellitus, de hypertensie en de psychische klachten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen aanleiding is tot twijfel aan de juistheid van de beperkingen zoals vastgesteld en neergelegd in de FML van 14 februari 2013 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 6 december 2012,
14 februari 2013 en, nog nader in hoger beroep, van 14 maart 2014 een concrete en deugdelijke afweging over de klachten van appellant gemaakt op grond van de dossierstukken, de psychiatrische expertise en de beschikbare informatie van de behandelend sector. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de FML. Er is dan ook geen reden te twijfelen aan de in de FML van 14 februari 2013 vastgelegde belastbaarheid van appellant.

4.4.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de aan appellant voorgehouden functies wat betreft belasting geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant.

4.5.

Met betrekking tot het, overigens niet nader uitgewerkte, gestelde recht op ongestoord genot van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, volstaat de Raad met een verwijzing naar de overwegingen in zijn uitspraak van 10 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2013:1839.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en
P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

MO