Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
15/339 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toewijzing verhuiskostenvergoeding. Anders dan het college is de Raad van oordeel dat het college aan artikel 4 van de Wmo geen bevoegdheid kan ontlenen om appellant de gevraagde voorziening te weigeren. Gelet op artikel 5 van de Wmo is het de gemeenteraad die in de Verordening regels dient op te nemen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Nu noch in artikel 4, noch in enig ander artikel van de Verordening is bepaald dat een voorziening wordt geweigerd of kan worden geweigerd indien deze voorzienbaar was, bestaat voor de door het college gehanteerde weigeringsgrond geen wettelijke grondslag. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en aan appellant een verhuiskostenvergoeding toekennen van € 2.950,-.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 4
Wet maatschappelijke ondersteuning 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/705
AB 2016/180 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
RSV 2016/83
JWWB 2016/91
USZ 2016/150 met annotatie van M.F. Vermaat
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/339 WMO

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 december 2014, 14/3753 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Cortet, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Namens appellant is verschenen mr. Cortet. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft meerdere lichamelijke klachten. Het college heeft in 2007 aan appellant een scootmobiel toegekend. Appellant bewoonde een gelijkvloerse seniorenwoning met twee kamers aan de [adres 1] Op 21 februari 2011 is appellant nadat zijn gezin uit Marokko was overgekomen verhuisd naar een vijfkamerwoning aan het [adres 2]. Deze woning is bereikbaar met twee trappen en heeft een inpandige trap.

1.2.

Op 20 december 2013 heeft appellant een aanvraag gedaan om een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten (verhuiskostenvergoeding) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), omdat appellant bij het gebruik van de woning aan het [adres 2] problemen ondervond bij het traplopen.

1.3.

Bij besluit van 16 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een onverwachte of onvoorzienbare verhuizing. Bij eerder onderzoek naar aanleiding van de aanvraag van appellant om een scootmobiel in 2007 is vastgesteld dat appellant door zijn aandoeningen beperkingen ondervond bij het traplopen. Desondanks is appellant in 2011 verhuisd naar de woning met trappen aan het [adres 2]. Appellant kon dan ook voorzien dat hij op enig moment zou moeten verhuizen naar een woning zonder trappen. Ook blijkt uit appellants inschrijving van 28 februari 2011 bij Woningnet dat hij altijd de wens heeft gehad om te verhuizen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich onder verwijzing naar het onderzoek in 2007 en de inschrijving bij Woningnet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verhuizing voor appellant voorzienbaar was. Het college heeft de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding daarom kunnen afwijzen.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wmo treft het college ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. In het tweede lid is bepaald dat het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

4.1.2.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet regels over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. De gemeente Utrecht heeft uitvoering gegeven aan artikel 5, eerste lid, van de Wmo door vaststelling van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2013 (Verordening).

4.1.3.

In artikel 4 van de Verordening is bepaald dat het college kan besluiten geen voorziening toe te kennen als sprake is van één van de onder a tot en met f van dit artikel genoemde situaties.

4.2.

Aan de afwijzing van de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding heeft het college ten grondslag gelegd dat in het geval van appellant sprake is van een voorzienbare verhuizing. Het college heeft toegelicht dat deze afwijzingsgrond niet wordt bestreken door één van de in artikel 4, aanhef en onder a tot en met f, van de Verordening genoemde situaties, maar dat deze afwijzingsgrond gebaseerd is op artikel 4 van de Wmo. Anders dan het college is de Raad van oordeel dat het college aan artikel 4 van de Wmo geen bevoegdheid kan ontlenen om appellant de gevraagde voorziening te weigeren. Gelet op artikel 5 van de Wmo is het de gemeenteraad die in de Verordening regels dient op te nemen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen. Door het college (mogelijk) te hanteren weigeringsgronden dienen daaronder te worden begrepen. Nu noch in artikel 4, noch in enig ander artikel van de Verordening is bepaald dat een voorziening wordt geweigerd of kan worden geweigerd indien deze voorzienbaar was, bestaat voor de door het college gehanteerde weigeringsgrond geen wettelijke grondslag. Daarom kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

4.3.

Het voorgaande is door de rechtbank niet onderkend. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet.

4.4.

De Raad dient vervolgens te bezien welk vervolg hij aan deze uitkomst moet geven. Niet in geschil is dat appellant beperkingen ondervindt bij het traplopen en dat hij ter verkrijging van het in artikel 2 van de Verordening vermelde resultaat ‘wonen in een geschikt huis’ is aangewezen op een verhuizing naar een woning zonder trappen. Volgens het Besluit individuele Wmo voorzieningen gemeente Utrecht 2013 bedraagt de verhuiskostenvergoeding

€ 2.950,-. Op grond van het hetgeen in 4.2 is overwogen, staat vast dat geen van de in

artikel 4 van de Verordening genoemde weigeringsgronden zich hier voordoen en dat er geen andere gronden zijn om de aanvraag af te wijzen. In aanmerking nemende de op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wmo op het college rustende verplichting tot compensatie van personen als appellant, leidt dit tot de conclusie dat appellant in aanmerking komt voor een verhuiskostenvergoeding. De Raad zal op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak voorzien en aan appellant een verhuiskostenvergoeding toekennen van € 2.950,-. De Raad zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5. In het voorgaande ziet de Raad aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 2.976,- in totaal.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 12 mei 2014;

  • -

    kent aan appellant een verhuiskostenvergoeding toe van € 2.950,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 12 mei 2014;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten in hoger beroep en in beroep en in de kosten van het bezwaar van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.976,-;

  • -

    bepaalt dat het college het door appellant in hoger beroep en in beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.A.E. Adamsson als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M.A.E. Adamsson

MO