Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
14/1745 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitgaande van de aangepaste FML is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd dat appellante op de datum in geding van 25 maart 1985 (haar achttiende verjaardag) in staat moest worden geacht om met de voorgehouden functies meer dan 75% van het wettelijk minimumjeugdloon te verdienen. Vernietiging uitspraak. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1745 WWAJ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

13 februari 2014, 13/5303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 maart 2016

PROCESVERLOOP

Bij tussenuitspraak van 19 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2091 (tussenuitspraak), heeft de Raad het Uwv opgedragen de gebreken in de beslissing op bezwaar van 14 juni 2013 (bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van zijn tussenuitspraak.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij brief van 3 augustus 2015 een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2015 ingezonden alsmede een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 3 augustus 2015.

Appellante heeft hierop bij brief van 4 september 2015 haar zienswijze gegeven.

De Raad heeft mededeling gedaan aan partijen van een wijziging in de samenstelling van de kamer.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:57, tweede lid, onder c en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 8:108 van de Awb heeft de Raad een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.
Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de onder het procesverloop vermelde tussenuitspraak.

2. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat de verzekeringsarts heeft gesteld dat appellante vanwege ADHD en een borderline persoonlijkheidsstoornis is aangewezen op werkzaamheden die aan de ene kant voldoende structuur bieden en aan de andere kant voldoende variatie bieden. Er dienen voorts geen hoge eisen aan planning- en organisatievaardigheden gesteld te worden. Verder heeft de verzekeringsarts te kennen gegeven dat impulscontrole en aandacht vasthouden punten van zorg zijn en dat appellante moeite zal hebben met het reageren op kritische feedback en adequaat vragen om hulp. Omgang met regels en gezagsverhoudingen zal moeilijker zijn naarmate er meer routine en striktheid voor nodig zijn. Ook zal appellante volgens de verzekeringsarts moeite hebben met een autoritaire manier van leidinggeven. Nu echter in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet voor al deze door de verzekeringsarts genoemde punten beperkingen zijn aangenomen en de verzekeringsarts bezwaar en beroep hier in zijn rapport niet op gerichte wijze aandacht aan heeft besteed, terwijl de Raad niet is gebleken dat in de arbeidskundige rapporten hieraan wel aandacht is besteed, heeft de Raad de medische en arbeidskundige motivering van het bestreden besluit van 14 juni 2013 op dit punt ontoereikend geacht. Het Uwv is opgedragen dit gebrek te herstellen door alsnog gericht te onderzoeken en inzichtelijk te motiveren wat de gevolgen van ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis zijn voor de FML. Daarnaast zal het Uwv, zo nodig, moeten nagaan of voor appellante, uitgaande van de uitkomst van de heroverweging van de FML, functies te selecteren zijn die zij met de voor haar vastgestelde beperkingen kan vervullen.

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Uwv het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juli 2015 ingediend. In dit rapport heeft deze verzekeringsarts een nadere toelichting gegeven op de beperkingen van appellante wat betreft impulscontrole, vasthouden van de aandacht, moeite met kritiek en het vragen om hulp en de benodigde structuur, waarbij extra beperkingen en toelichtingen zijn opgenomen in de aangepaste FML van 14 juli 2015. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep bij rapport van

3 augustus 2015, na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, de geschiktheid van de voorgehouden functies nogmaals beoordeeld. Hij is tot de conclusie gekomen dat een functie dient te vervallen, maar dat op basis van de resterende functies de mate van arbeidsongeschiktheid eveneens onder de 25% blijft, waarmee het bestreden besluit kan worden gehandhaafd.

4. Appellante heeft hierop te kennen gegeven de gronden van het hoger beroep te handhaven.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

In de aangepaste FML van 14 juli 2015 is rekening gehouden met beperkte mogelijkheden van appellante wat betreft vasthouden van de aandacht, afleiding tijdens het werk, structuur en variatie in de werkzaamheden, planning- en organisatievaardigheden, conflicthantering, klantcontact, adequaat om hulp vragen, omgaan met kritiek/gezag/regels bij meer routine en striktheid en werktijden (regelmatige werktijden). Bij rapport van 14 juli 2015 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aanpassingen van de FML toegelicht. Appellante heeft hiertegen geen nadere gronden ingebracht noch een nadere medische toelichting, maar volstaan met verwijzing naar het hoger beroepschrift, waarin is gesteld dat haar beperkingen wegens met name ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis zijn onderschat, onder verwijzing naar de bijgevoegde medische informatie van de behandelende sector, gedateerd 15 april 2015. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is bij rapport van

14 juli 2015 en de bijbehorende aangepaste FML overtuigend gemotiveerd dat zo afdoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellante wegens de aandoeningen ADHD en borderline persoonlijkheidsstoornis. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend gemotiveerd bij rapport van 1 mei 2015 dat voor extra beperkingen wegens klachten die verband houden met de door de behandelende psychologe drs. H.G. Kistemaker in haar brief van 15 april 2015 vermelde diagnose PTSS geen aanleiding is. Het bij de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in de medische besluitvorming is dan ook hersteld met het rapport van 14 juli 2015 en de bijbehorende FML.

5.3.

Uitgaande van de FML van 14 juli 2015 is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende gemotiveerd bij rapport van 3 augustus 2015 dat appellante op de datum in geding van 25 maart 1985 (haar achttiende verjaardag) in staat moest worden geacht om met de voorgehouden functies meer dan 75% van het wettelijk minimumjeugdloon te verdienen. Hierbij is, gelet op de rechtspraak van de Raad terzake (zie de uitspraak van 28 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3783) afdoende gemotiveerd en aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies ook rond de 17/18-jarige leeftijd van appellante op de arbeidsmarkt voorkwamen.

5.4.

Gelet op overwegingen 5.2 en 5.3 in combinatie met overweging 5 van de tussenuitspraak dienen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te worden vernietigd. Nu in hoger beroep het vastgestelde gebrek in het bestreden besluit is hersteld, is er aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

5.5.

Het verzoek van appellante tot veroordeling van het Uwv in de kosten, gemaakt in de bezwaarprocedure, dient te worden afgewezen nu het primaire besluit van 5 maart 2013, waarbij de aanvraag om een Wajong-uitkering is afgewezen, in stand blijft. Wel is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 992,- wegens kosten aan verleende rechtsbijstand in beroep, alsmede tot een bedrag van

€ 1.240,- wegens kosten aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.232,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 14 juni 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 2.232,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 166,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en P. Vrolijk en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP