Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
15/1903 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning LFNP-functies. Indien de salarisschaal van de functiebeschrijving overeenkomt met de salarisschaal van een LFNP-functie in het gekozen vakgebied, die functie beschouwd als de meest vergelijkbare functie. Geen beroep op de hardheidsclausule. De TPT mag als grondslag dienen voor het bestreden besluit en is in het bestreden besluit verder gemotiveerd ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van appellant. Er bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het bestreden besluit te krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1903 AW

Datum uitspraak: 24 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 februari 2015, 14/6353 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079). Voor een uiteenzetting over de onderscheiden stappen in het kader van de invoering van het LFNP alsmede een weergave van de toepasselijke regelgeving wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

1.2.

Bij besluit van 1 september 2011 is de uitgangspositie van appellant, die bij besluit van

6 juni 2011 op alle relevante data tot en met 31 maart 2011 was vastgesteld op de functie van politiemedewerker, per 1 oktober 2011 vastgesteld op dezelfde functie met de aantekening dat sprake is van een bijzondere situatie, te weten opleidingstraject niveau 4. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellant gelegenheid te hebben geboden zijn bedenkingen daartegen kenbaar te maken, heeft de korpschef bij besluit van

16 december 2013 aan appellant zijn LFNP-functies toegekend: met ingang van 31 december 2009 is hem toegekend de LFNP-functie [naam functie A] ([vakgebied]), schaal 6, vakgebied [vakgebied], en vervolgens, vanwege wijziging van de uitgangspositie in de functie van [functie B], per 1 november 2012 de LFNP-functie [functie C], schaal 7, vakgebied [vakgebied]. Tevens is bij genoemd besluit voor de aanvankelijk toegekende functie bepaald dat appellant per 1 januari 2012 naar die functie overgaat.

1.4.

Bij besluit van 23 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het tegen het besluit van 16 december 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier van belang, allereerst overwogen dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de transponeringstabel (TPT), opgenomen in de bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling), evenals de Regeling zelf als een algemeen verbindend voorschrift is te beschouwen en dat daaraan niet zodanig ernstige tekortkomingen kleven dat deze niet ten grondslag mocht worden gelegd aan de jegens appellant tot stand gebrachte besluitvorming. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het volgen van de TPT in het geval van appellant leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of dat sprake is van een bijzondere situatie die niet door de regelgever is voorzien, waardoor de korpschef in redelijkheid de TPT niet heeft kunnen volgen. Eventuele feitelijke werkzaamheden in afwijking van de (formele) korpsfunctiebeschrijving kunnen in beginsel de toepassing van de hardheidsclausule niet rechtvaardigen. Dat appellant deze feitelijke werkzaamheden niet heeft kunnen formaliseren omdat er sinds 31 maart 2011 geen mogelijkheid meer is tot functieonderhoud, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het is immers een bewuste keuze van de regelgever om tijdelijk geen functieonderhoud toe te staan. Hoewel aan appellant moet worden toegegeven dat het tijdsverloop tot de verwachte doorvoering van de personele reorganisatie in 2015 en daarmee de periode waarin geen functieonderhoud kan worden gevraagd, aanzienlijk is, acht de rechtbank dit niet dusdanig lang dat kan worden gesproken van een onbillijkheid van overwegende aard of van een bijzondere situatie die niet door de regelgever is voorzien, waardoor de korpschef in redelijkheid de TPT niet heeft kunnen volgen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de directeur HRM niet bevoegd was om te beslissen op zijn bezwaarschrift en dat het bestreden besluit daarom onbevoegd is genomen. De Raad verwijst op dit punt naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1663, waarin de Raad heeft overwogen dat de directeur HRM op grond van het Mandaatbesluit Politie januari 2014 de bevoegdheid toekomt te beslissen op een tegen een besluit inzake toekenning van of overgang naar een LFNP-functie gericht bezwaar. Het hoger beroep slaagt op dit punt dus niet.

4.2.

Appellant heeft verder betoogd dat de wijze van bepalen van de LFNP-functie (de matching) niet strookt met de toelichting op artikel 3 van de Regeling, omdat bij de matching enkel de functionele schaal in aanmerking is genomen en niet (ook) de specifieke, feitelijke werkzaamheden. Hij heeft gesteld dat matching op grond van zijn feitelijke werkzaamheden tot een andere uitkomst had moeten leiden, namelijk tot een toekenning van de functie van [functie D]. Dit betoog slaagt niet. Zoals is overwogen in de onder 1.1 genoemde uitspraken van de Raad van 1 juni 2015 is het uitgangspunt bij de matching steeds de formele functiebeschrijving geweest. Nadat, zo volgt uit artikel 3, vierde lid, van de Regeling, het domein en vakgebied zijn vastgesteld, wordt, indien de salarisschaal van de functiebeschrijving overeenkomt met de salarisschaal van een LFNP-functie in het gekozen vakgebied, die functie beschouwd als de meest vergelijkbare functie. Het vorenstaande is niet anders in het geval van toekenning of wijziging van de LFNP-functie vanaf 1 januari 2012, zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 21 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:260). Indien de korpschef vanaf 1 januari 2012 de Regeling en de TPT niet (analoog) zou toepassen, zou dat betekenen dat de korpsfuncties niet in alle gevallen op gelijke wijze overgaan naar een LFNP-functie. Dit acht de Raad niet aanvaardbaar. De door appellant voorgestane uitkomst - op basis van zijn specifieke werkzaamheden - zou voorts in strijd zijn met het doel en de strekking van de Regeling, waarmee blijkens de Toelichting op de Regeling landelijke uniformiteit en een consistente werkwijze is beoogd ter voorkoming van willekeur. Aan de in artikel 2 van de Regeling genoemde datum van

31 december 2011, wordt bovendien niet de betekenis toegekend die appellant daaraan toegekend wil zien, namelijk dat sprake is van een fatale datum. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat vanaf die datum andere regels dan daarvóór zouden moeten gelden voor de overgang van een korpsfunctie naar een LFNP-functie. De Regeling en de TPT zijn tot stand gekomen in samenspraak met de politievakorganisaties en het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken. De Raad concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins onhoudbaar is te achten. Dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest is niet voldoende voor die conclusie.

4.3.

Ook het beroep van appellant op de hardheidsclausule slaagt niet. Appellant heeft in dit verband gesteld dat zijn feitelijke werkzaamheden niet (geheel) terugkomen in de LFNP-functie en dat hij taken en verantwoordelijkheden kwijtraakt. Zoals is overwogen in de meergenoemde uitspraken van de Raad van 1 juni 2015 is toepassing van de hardheidsclausule niet aangewezen in geval de LFNP-functie inhoudelijk afwijkt van de korpsfunctie. Dat een politieambtenaar kan overgaan naar een LFNP-functie waarvan de inhoud afwijkt van zijn korpsfunctie is immers inherent aan de (door de regelgever) bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht en is ook verklaarbaar uit het gegeven dat de werkzaamheden binnen verschillende politieregio’s worden ondergebracht in één nieuw landelijk functiegebouw. Dat de toegekende LFNP-functie volgens appellant een verschraling meebrengt van zijn taken en verantwoordelijkheden leidt niet tot een ander oordeel. Ook dit is inherent aan de bewust gekozen wijze waarop moet worden gematcht. Een eventuele verschraling van het takenpakket van een betrokkene kan dan ook niet worden beschouwd als een onbedoelde onbillijke uitwerking van de Regeling. De mogelijkheid van verschillen tussen de korpsfunctie en de LFNP-functie is door de regelgever uitdrukkelijk onder ogen gezien. Dergelijke verschillen zijn uitdrukkelijk beoogd vanuit de - meer op abstracte functiebeschrijving gerichte - systematiek van het LFNP. Het nieuwe functiegebouw strekt nu eenmaal tot uniformering en harmonisering, waaraan inherent is dat niet voor iedereen de situatie bij het oude kan blijven. Een en ander is niet anders wat betreft de tijdelijke onmogelijkheid om functieonderhoud te vragen. Ook dat is een door de regelgever bewust gemaakte keuze die, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.4.

Ten slotte heeft appellant nog aangevoerd dat de korpschef het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd door de TPT op te vatten als een algemeen verbindend voorschrift, waartegen ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar en beroep openstaat. Hij is tegen deze dragende overweging in de besluitvorming terecht opgekomen en heeft moeten procederen om tot een deugdelijke motivering te komen. Daarom maakt hij aanspraak op vergoeding van proceskosten, aldus appellant. Ook dit betoog slaagt niet. Dat de TPT niet kan worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, laat immers onverlet dat de tabel als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. De Raad verwijst in zoverre naar zijn onder 1.1 genoemde uitspraak van 1 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1550. Dat de TPT het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, leidt dan ook niet tot de conclusie dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Nu de TPT als grondslag mag dienen voor het bestreden besluit en in het bestreden besluit verder gemotiveerd is ingegaan op de inhoudelijke bezwaren van appellant, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat appellant heeft moeten procederen om een deugdelijke motivering van het bestreden besluit te krijgen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD