Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
15/1831 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag medewerker PI omdat hij zonder toestemming contact heeft opgenomen met een privérelatie van een gedetineerde voor wie beperkingen golden en daarmee die beperkingen heeft doorbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1831 AW

Datum uitspraak: 17 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 februari 2015, 14/8027 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.M.S. Koot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Koot heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koot. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.E. Leeman, [P.] en mr. H.H. in ‘t Veen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is vanaf 8 oktober 1993 in dienst geweest bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Vanaf 1 januari 2006 heeft hij de functie vervuld van medewerker maatschappelijke dienstverlening bij de [PI.].

1.2.

Op 13 juni 2013 is appellant door de politie verhoord over zijn contacten met een gedetineerde die ‘in beperkingen zat’ en diens partner. Na het verhoor heeft appellant een gesprek gehad met plaatsvervangend vestigingsdirecteur [X.] en hoofd gedetineerdenzaken [Y.]. Vervolgens is appellant, hangende het onderzoek, de toegang tot de [PI.] ontzegd.

1.3.

Bij brief van 13 augustus 2013 heeft de minister meegedeeld voornemens te zijn appellant wegens vermoedelijk zeer ernstig plichtsverzuim disciplinair te straffen met ontslag. De minister vermoedt dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de volgende gedragingen die zowel in samenhang als ieder op zich (zeer) ernstig plichtsverzuim vormen:

  • -

    het opnemen van contact met een privérelatie van een gedetineerde terwijl deze in beperkingen zat, waarbij appellant meermalen telefonisch contact met haar heeft gehad en voor haar een bezwaarschrift heeft opgesteld;

  • -

    het in een getapt telefoongesprek aan deze privérelatie te kennen geven dat zij geen contact meer mag opnemen met een getuige in de strafzaak van de gedetineerde, waarmee appellant zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een strafrechtelijk feit, namelijk belemmering van een strafrechtelijk onderzoek;

  • -

    het opnemen van dit contact zonder daarvoor toestemming te hebben gevraagd aan de officier van justitie en de directie, terwijl hij daartoe verplicht was;

  • -

    het niet melden van dit contact aan zijn leidinggevende en/of een directielid, terwijl hij dit had moeten doen en voldoende tijd had om zich te realiseren dat hij dit had moeten doen;

  • -

    het niet vertellen van de volledige waarheid over de inhoud van het door de politie onderschepte telefoongesprek;

  • -

    het handelen in strijd met instructies en algemeen geldende normen, waaronder de Gedragscode DJI.

1.4.

Naar aanleiding van dit voornemen heeft op 12 september 2013 een gesprek plaatsgevonden tussen vestigingsdirecteur [Z.], HR-adviseur [P.], appellant en diens advocaat, mr. Koot.

1.5.

Bij besluit van 27 december 2013 heeft de minister appellant wegens zeer ernstig plichtsverzuim ontslagen op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en daarbij bepaald dat het ontslag onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd. De minister heeft hiertoe overwogen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de in zijn voornemen benoemde gedragingen.

1.6.

Bij besluit van 17 juli 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 27 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat niet in geschil is dat appellant contact heeft opgenomen met de vriendin van de gedetineerde, terwijl aan de gedetineerde beperkingen waren opgelegd. Appellant heeft ook erkend dat hij een beroepschrift heeft opgesteld voor de vriendin. Niet in geschil is dat appellant wist dan wel behoorde te weten dat hij alleen contact met de vriendin mocht opnemen na toestemming van de officier van justitie. Appellant wist immers dat aan de gedetineerde beperkingen waren opgelegd. Volgens de rechtbank staat voldoende vast dat appellant informatie afkomstig van de gedetineerde heeft doorgegeven aan diens vriendin. Of appellant heeft beoogd hiermee het strafrechtelijk onderzoek te belemmeren doet er niet toe, omdat dit hem niet wordt verweten. Dat appellant de bewuste mededeling aan de vriendin van de gedetineerde heeft gedaan om haar een hart onder de riem te steken, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Ook staat voor de rechtbank vast dat appellant in het gesprek met de plaatsvervangend vestigingsdirecteur en het hoofd gedetineerdenzaken op 13 juni 2013 geen volledige openheid van zaken heeft gegeven. Dat appellant door het politieverhoor eerder die dag zo was geschrokken dat hij niet meer wist wat hij zei, kan hem niet baten. De rechtbank concludeert dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen en dat de minister die gedragingen terecht heeft gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. De rechtbank acht het ontslag niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Kern van wat de minister appellant verwijt, is dat hij zonder toestemming contact heeft opgenomen met een privérelatie van een gedetineerde voor wie beperkingen golden en daarmee die beperkingen heeft doorbroken. Appellant heeft erkend contact te hebben opgenomen met de vriendin van de betrokken gedetineerde. Hij wist dat dit contact niet was toegestaan. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij in verwarring was, mede vanwege persoonlijke relatieproblemen. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat het opnemen van contact met de vriendin van de gedetineerde hem niet kan worden toegerekend.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen bezwaar- of beroepschrift heeft opgesteld voor de vriendin van de gedetineerde. Uit het dossier blijkt, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, niet dat appellant heeft erkend een beroepschrift te hebben geschreven voor de vriendin van de gedetineerde. Hij stelt dit alleen voor de gedetineerde te hebben gedaan. Dit gegeven maakt het verwijt dat appellant treft vanwege het meermalen contact opnemen met een privérelatie van een gedetineerde in beperkingen echter niet minder.

4.3.

Appellant heeft verder aangevoerd dat niet is vast komen te staan dat hij informatie afkomstig van de gedetineerde heeft doorgegeven aan diens vriendin. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat appellant in een telefoongesprek met de vriendin van de gedetineerde tegen haar over een derde heeft gezegd: “Daar moet je niks mee niks meer geven of of mee spreken.” Appellant heeft hierover verklaard dat de gedetineerde hem niet heeft gevraagd om informatie door te geven en dat hij daar ook niet op uit was, dat hij niet wist dat die derde een getuige was in een lopend opsporingsonderzoek en dat hij de vriendin alleen maar een hart onder de riem wilde steken omdat hij met haar te doen had. Ook als appellant deze mededeling ongevraagd heeft gedaan en niet wist dat de derde als getuige een rol had in het opsporingsonderzoek, neemt dat niet het verwijt weg dat hij van kennis opgedaan in gesprekken met de gedetineerde, mededelingen heeft gedaan aan diens vriendin. Die mededelingen hielden in dat hij de vriendin van de gedetineerde heeft gezegd geen contact meer op te nemen met de derde, getuige in de strafzaak tegen de gedetineerde, en zich daarmee mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, namelijk belemmering van een strafrechtelijk onderzoek.

4.4.

Appellant heeft ook aangevoerd dat hij door het politieverhoor op 13 juni 2013 zo was geschrokken, dat hij niet meer wist wat hij zei. Na dat verhoor heeft appellant een gesprek gehad met de plaatsvervangend vestigingsdirecteur en het hoofd gedetineerdenzaken. De plaatsvervangend directeur was voornemens om appellant de toegang tot de [PI.] te ontzeggen hangende het verdere onderzoek naar de rol van appellant. Het gesprek ging over dit voornemen. Appellant heeft zelf het initiatief genomen om te vertellen over zijn contact met de vriendin van de gedetineerde. Hij heeft daarbij niet verteld over zijn mededeling aan die vriendin om niets meer te geven aan of te spreken met de derde. Appellant had vooraf toestemming moeten vragen voor of overleg moeten plegen over het contact opnemen met de vriendin van de gedetineerde. En hoe dan ook mocht van hem worden verwacht dat hij actief en volledig openheid van zaken zou geven over aard en inhoud van dat contact. Die openheid heeft hij niet gegeven, ook niet in het gesprek met de plaatsvervangend vestigingsdirecteur en het hoofd gedetineerdenzaken. Dat dit gesprek geen verantwoordingsgesprek was in de zin van artikel 82 van het ARAR betekent niet dat die openheid op dat moment van hem niet meer verwacht mocht worden. Dat appellant was geschrokken van het politieverhoor is begrijpelijk, maar dat hij niet meer wist wat hij zei blijkt niet uit het gespreksverslag. Het verwijt dat hij niet de volledige waarheid heeft verteld over de inhoud van het door de politie onderschepte telefoongesprek, een verwijt dat in het verlengde ligt van het verwijt dat hij zonder toestemming contact heeft opgenomen met de vriendin van de gedetineerde en daarmee de beperkingen heeft doorbroken, heeft de minister hem dan ook terecht gemaakt.

4.5.

Aldus staat vast dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen, met dien verstande dat hij geen beroepschrift heeft opgesteld voor de vriendin van de gedetineerde. Aan een medewerker in een penitentiaire inrichting mogen en moeten strenge eisen worden gesteld op het gebied van betrouwbaarheid en integriteit, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. Gelet hierop heeft de minister deze gedragingen van appellant terecht gekwalificeerd als ernstig plichtsverzuim. Ook als appellant geen verkeerde bedoelingen had, zoals hij heeft betoogd, is zijn gedrag een onaanvaardbare inbreuk op wat van hem mag worden verwacht. De staat van dienst van appellant maakt die inbreuk niet minder. De verweten gedragingen vormen dan ook een zodanige inbreuk op deze eisen dat het strafontslag in dit geval geen onevenredig zware sanctie is.

4.6.

De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2016.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) S.W. Munneke

HD