Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1049

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15-3091 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel verlaging bijstand met 100% voor de duur van 1 maand. Appellant heeft het arbeidscontract niet willen ondertekenen. Verwijtbaar. Geen gerechtvaardigde reden voor nadere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3091 WWB

Datum uitspraak: 15 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

25 maart 2015, 14/3202 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te Enschede

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L. de Widt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Appellanten zijn samen met hun dochter verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op appellant waren de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.2.

Appellant heeft van 23 december 2013 tot en met 22 maart 2014 op basis van een proefplaatsing met behoud van bijstand voor het bedrijf [naam bedrijf A] gewerkt. Volgens de overeenkomst van proefplaatsing is [naam M] (M) begeleider van appellant bij

[naam bedrijf A]. In deze periode hebben op 10 februari 2014 en 17 maart 2014 evaluatiegesprekken plaatsgevonden met M als vertegenwoordiger van [naam bedrijf], het detacheringsbedrijf waarvan [naam bedrijf A] diensten afneemt, en twee adviseurs Werk van de gemeente Enschede. Tijdens het gesprek op 17 maart 2014 heeft M aan appellant een arbeidsovereenkomst met [naam bedrijf] (detacheringsbedrijf) voor bepaalde tijd aangeboden inhoudende een tijdelijke tewerkstelling bij [naam bedrijf A] van 1 april 2014 tot 1 mei 2015, voor 32 tot 40 uur per week met een proeftijd van 1 maand. Daarnaast is in de overeenkomst een bepaling opgenomen dat appellant toestemming moet vragen als hij nevenwerkzaamheden voor een derde wil verrichten. Tijdens dit gesprek heeft appellant gemeld dat hij het 0-urencontract met transportbedrijf Heister (transportbedrijf) beëindigd heeft.

1.3.

Appellant heeft het hem voorgelegde arbeidscontract niet meteen willen ondertekenen, omdat hij bedenktijd wilde. Appellant heeft zich vervolgens gewend tot het Juridisch Loket voor advies.

1.4.

Appellant heeft op 28 maart 2014 met M gesproken. Appellant heeft meegedeeld dat hij de arbeidsovereenkomst alleen wil tekenen als die wordt afgesloten voor de duur van zes maanden, dat de bepaling met betrekking tot de nevenwerkzaamheden uit de overeenkomst wordt geschrapt, dat hij niet verplicht wordt een interne opleiding te volgen en dat de inkomensvrijlating van € 190,- per maand van de gemeente Enschede in de overeenkomst wordt opgenomen. M heeft aangegeven dat de eerste drie punten niet bespreekbaar zijn en dat het vierde punt bij de gemeente Enschede ligt en derhalve niet in de overeenkomst vermeld kan worden. Appellant heeft vervolgens aangegeven het aanbod niet te accepteren. Op 31 maart 2014 heeft M het aanbod ingetrokken.

1.5.

Bij besluit van 18 juni 2014 heeft het college bij wijze van maatregel de bijstand van appellanten met ingang van 1 april 2014 gedurende een maand met 100% van de voor hen geldende norm verlaagd op de grond dat appellant na proefplaatsing bij [naam bedrijf A] de hem aangeboden arbeidsovereenkomst met het detacheringsbedrijf niet wilde ondertekenen, omdat hij het niet eens was met de inhoud daarvan.

1.6.

Bij besluit van 7 november 2014 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover van belang, is appellant verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden.

4.2.1.

In artikel 18, tweede lid, van de WWB is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De toepasselijke verordening is de Verordening werk en bijstand van de gemeente Enschede (Verordening).

4.2.2.

Ingevolge artikel 4.9 van de Verordening wordt, voor zover van belang, bij het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid de bijstand verlaagd met 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Ingevolge artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening wordt van het opleggen van een verlaging in ieder geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant de arbeidsovereenkomst zoals die door het detacheringsbedrijf werd aangeboden niet heeft aanvaard, waarop M het aanbod heeft ingetrokken. Eveneens is niet in geschil dat de aangeboden functie onder de aangeboden voorwaarden algemeen geaccepteerde arbeid betrof. Hiermee heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet verwijtbaar heeft gehandeld omdat hij op geen enkele wijze werk heeft geweigerd. Hij heeft alleen om aanpassing van de voorgelegde arbeidsovereenkomst gevraagd. Appellant heeft deze aanpassingen besproken met [naam H] (H), eigenaar van [naam bedrijf A], die hieraan wel tegemoet wilde komen. Ter zitting heeft appellant zijn bezwaren tegen de voorgestelde arbeidsovereenkomst beperkt tot de duur van 13 maanden, de proeftijd en het verbod van nevenwerkzaamheden.

4.5.

Een bijstandsgerechtigde mag proberen gunstigere voorwaarden te bedingen indien hem algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangeboden. Indien echter door zijn niet onmiddellijke aanvaarding van het aanbod en door zijn opstelling in de onderhandeling, uiteindelijk geen arbeidsovereenkomst tot stand komt, kan hem daarvan een verwijt worden gemaakt als hier bedoeld. Vergelijk de uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2548. Dat kan anders zijn als hij een gerechtvaardigde reden heeft het gedane aanbod niet te aanvaarden.

4.5.1.

Vaststaat dat M namens [naam bedrijf A] de overeenkomst van proefplaatsing heeft getekend, dat M bij de twee evaluatiegesprekken namens het detacheringsbedrijf aanwezig is geweest en dat M een arbeidsovereenkomst met het detacheringsbedrijf heeft aangeboden, waardoor appellant bij [naam bedrijf A] te werk zou worden gesteld. Dat H als eigenaar van [naam bedrijf A] het wel eens was met de voorgestelde aanpassingen van de arbeidsovereenkomst van appellant, vormt geen gerechtvaardigde reden om het aanbod van het detacheringsbedrijf niet te aanvaarden, reeds omdat H appellant voor de inhoud van de overeenkomst verwezen heeft naar M.

4.5.2.

Uit het rapport van 22 april 2014 blijkt dat appellant op 22 november 2013 door de adviseur Werk is geïnformeerd over de specifieke voorwaarden na proefplaatsing bij [naam bedrijf A]. Na drie maanden proefplaatsing kunnen kandidaten, die voldoen aan goede werknemersvaardigheden en het werk na behoren uitvoeren, een contract krijgen voor 32 uur per week voor 12 maanden. Tijdens de proefplaatsing hebben twee evaluatiegesprekken plaatsgevonden. Bij het eerste gesprek op 10 februari 2014 is naar voren gekomen dat appellant zijn werkzaamheden keurig uitvoert en dat hij, als hij zich zo blijft ontwikkelen, een jaarcontract krijgt. Appellant is tijdens dit gesprek nogmaals gewezen op het feit dat het een contract van 32 uur betrof voor een jaar. Hieruit volgt dat appellant een dergelijke overeenkomst voor de duur van ongeveer 12 maanden kon verwachten, zodat ook geen gerechtvaardigde reden bestond om dat aanbod wegens de duur van de overeenkomst te weigeren.

4.5.3.

Bij het aangaan van een eerste arbeidsovereenkomst is het toegelaten een proeftijd te bedingen. Appellant was eerder op basis van een proefplaatsing met behoud van bijstand werkzaam voor [naam bedrijf A] en kreeg nu voor het eerst een arbeidsovereenkomst met het detacheringsbedrijf aangeboden. De enkele reden dat daaraan een proefplaatsing vooraf was gegaan vormde voor appellant geen gerechtvaardigde reden om niet met een proeftijd akkoord te gaan. Bovendien blijkt uit het gesprek op 28 maart 2014 dat dit geen geschilpunt tussen appellant en het detacheringsbedrijf was.

4.5.4.

Het is toegelaten en niet ongebruikelijk dat in een arbeidsovereenkomst is geregeld dat behoudens toestemming van de werkgever de werknemer geen nevenwerkzaamheden voor een derde mag verrichten. Appellant was het niet eens met de in de voorgestelde arbeidsovereenkomst opgenomen bepaling met betrekking tot verbod van nevenwerkzaamheden voor een derde behoudens toestemming van de werkgever. Appellant wilde naast zijn werkzaamheden bij [naam bedrijf A] in het weekend werkzaamheden blijven verrichten als beroepschauffeur voor het transportbedrijf. Dit vormt echter evenmin een gerechtvaardigde reden om de aangeboden arbeidsovereenkomst niet te aanvaarden. Hiervoor is van belang dat appellant met de aangeboden overeenkomst onafhankelijk werd van bijstand, waar hij tot die tijd met de slechts beperkte werkzaamheden voor het transportbedrijf niet volledig in zijn levensonderhoud kon voorzien, en deze werkzaamheden nu juist werden beëindigd.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat appellant kan worden verweten dat hij de hem aangeboden arbeidsovereenkomst niet heeft ondertekend. De bijstand van appellant diende daarom op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB en de Verordening te worden verlaagd met 100% van de voor appellanten geldende norm gedurende een maand. Wat appellant heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de omstandigheden en mogelijkheden van appellant aanleiding hadden moeten geven om de opgelegde maatregel in omvang dan wel duur te matigen.

4.7.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.

De voorzitter is niet in staat de uitspraak te ondertekenen

(getekend) A. Stuut

HD