Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15-1391 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autohandel. Geen sprake van vriendendienst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1391 WWB

Datum uitspraak: 15 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

15 januari 2015, 14/2074 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Almelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E. Wijnekus.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 22 december 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een bestandsvergelijking waarbij is gebleken dat een groot aantal kentekens op naam van appellant hebben gestaan, heeft een sociaal rechercheur van het Bureau Handhaving van de sector Samenleving van de gemeente Almelo een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer gegevens opgevraagd bij de Dienst Wegverkeer (RDW). Daaruit blijkt dat in maart 2013 en in de periode mei tot en met november 2013 34 kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. In verband hiermee is aan appellant onder meer verzocht gegevens te overleggen betreffende de in- en verkoop alsmede de uitvoer van alle voertuigen die op zijn naam hebben gestaan. Appellant heeft bij brief van 18 november 2013 verklaard dat hij niet over aankoopbewijzen en betalingsbewijzen beschikt en dat hij de voertuigen voor vrienden en kennissen op zijn naam heeft gehad. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 december 2013.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

13 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 1 maart 2013 tot en met 31 maart 2013 alsmede over de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 november 2013 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periodes verstrekte bijstand tot een bedrag van € 9.255,95 van appellant terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant in de desbetreffende periodes transacties heeft verricht met voertuigen die op zijn naam hebben gestaan en waarvan hij geen opgave heeft gedaan aan het college, zodat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg van het schenden van die verplichting en de omstandigheid dat appellant geen administratie of boekhouding heeft bijgehouden van de transacties kan het recht op bijstand over de evengenoemde periodes niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de gegevens van de RDW is gebleken dat in de maand maart 2013 en in de periode van mei tot en met november 2013 de registratie van 30 kentekens van voertuigen op naam van appellant is geëindigd. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest. De registratie van deze voertuigen op naam van appellant is voornamelijk geëindigd door export van die voertuigen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op die gegevens, aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de voertuigen voor de WWB relevante transacties hebben plaatsgevonden. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat het exporteren van de voertuigen een vriendendienst betrof. De mensen voor wie appellant voertuigen op zijn naam zette, kende hij vanuit de asielprocedure. Later zijn deze mensen naar het buitenland verhuisd, zodat zij bij de aanschaf van een voertuig in Nederland de hulp van appellant nodig hadden. Appellant heeft er geen geld mee verdiend. Deze beroepsgrond slaagt niet. De stelling dat slechts sprake is geweest van vriendendiensten, wat daar van zij, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt, reeds vanwege het feit dat appellant de personen waarvoor hij naar eigen zeggen de voertuigen op zijn naam heeft gezet, niet bij name heeft genoemd.

4.3.

Nu vaststaat dat appellant van de onder 4.1 genoemde transacties - waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand - bij het college geen melding heeft gemaakt, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat hij, indien hij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is daarin niet geslaagd. Omdat appellant van de transacties geen boekhouding of administratie heeft bijgehouden, kan niet worden vastgesteld of appellant over de maanden waarin die transacties hebben plaatsgevonden recht heeft op (aanvullende) bijstand. Dat uit de door appellant in de beroepsprocedure overgelegde bankafschriften niet blijkt van verkregen middelen uit transacties leidt niet tot een ander oordeel, omdat niet kan worden uitgesloten dat met de transacties contante bedragen of andere op geld waardeerbare tegenprestaties gemoeid zijn geweest.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.

De voorzitter is niet in staat de uitspraak te ondertekenen

(getekend) A. Stuut

HD