Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1038

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
13-3048 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3048 WIA

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

22 april 2013, 12/1362 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is gebleken dat dit niet volledig is geweest. De Raad heeft het onderzoek heropend en een revalidatiearts tot deskundige benoemd. Door de deskundige drs. W.C.G. Blanken is op 23 juli 2015 een rapport uitgebracht.

Partijen hebben schriftelijk op het rapport gereageerd.

De deskundige heeft commentaar gegeven op de reacties op zijn rapport.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is vanaf 1 december 2006 op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar, die tweemaal is verlengd, werkzaam geweest als schoonmaakster scholen en kantoren gedurende 32 uur per week. Zij heeft zich met ingang van 26 oktober 2009 ziek gemeld in verband met pijn in de rechterschouder. Met ingang van 1 december 2009 is de arbeidsovereenkomst van appellante van rechtswege geëindigd.

1.2.

Appellante heeft op 21 maart 2012 een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Het Uwv heeft bij besluit van 27 april 2012 vastgesteld dat er voor appellante met ingang van 24 oktober 2011 geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar dat appellante tegen dit besluit heeft ingediend, is bij besluit van 13 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, gelet op de beschikbare medische gegevens, geen aanknopingspunten te zien voor het ontstaan van twijfel wat betreft de vraag of de medische beperkingen zoals opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 april 2012, voor appellante juist zijn vastgesteld.

2.2.

Over de arbeidskundige grondslag waarop het bestreden besluit mede berust, heeft de rechtbank overwogen dat op genoegzame wijze inzichtelijk is gemaakt waarom de voor appellante geselecteerde functies voor haar passend worden geacht. Uitgaande van de juistheid van de FML van 2 april 2012 heeft de rechtbank geen grond gezien om te oordelen dat appellante de werkzaamheden die bij de geselecteerde functies behoren, niet zou kunnen verrichten.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij meer beperkt is dan door het Uwv in de FML is vastgelegd. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een advies van een door haar geraadpleegde verzekeringsarts R.A. Hollander van 15 november 2013 overgelegd. Hollander heeft geconcludeerd dat de verzekeringsartsen van het Uwv de aard van de gezondheidsproblematiek van appellante niet volledig hebben verwoord en haar belastbaarheid hebben overschat. In zijn rapport van 8 mei 2014 heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep A.B. Gille een reactie gegeven op het rapport van Hollander. Daarop heeft Hollander gereageerd in een aanvullend rapport van 16 september 2014. Vervolgens hebben Gille en Hollander opnieuw een reactie gegeven in rapporten van onderscheindelijk

10 februari 2015 en 5 maart 2015.

3.2.

Gelet op de uit de genoemde rapporten voortvloeiende verdeeldheid tussen partijen en om te komen tot een finale beslechting van het geschil heeft de Raad het aangewezen geacht zich te laten adviseren door een onafhankelijk deskundige. Revalidatiearts Blanken heeft in zijn rapport van 23 juli 2015 verslag gedaan van zijn onderzoeksbevindingen en de vragen van de Raad beantwoord. Ten tijde van de in dit geding van belang zijnde datum 24 oktober 2011 was appellante bekend met een fibromyalgiesyndroom, status na enkelbandplastiek en hyperreactiviteit in de longen. De belastbaarheid van appellante is volgens de deskundige op correcte wijze verwoord in de door Gille aangepaste FML van 8 mei 2014. Appellante voldoet niet aan de zogenoemde LISV-standaard voor het opleggen van een beperking in duurbelastbaarheid en op basis van zijn eigen onderzoek heeft de deskundige geen andere redenen gevonden die noodzaken tot het opleggen van beperkingen in arbeidsduur of werktijden. De deskundige heeft ook niet kunnen concluderen dat de gezondheid van appellante wordt geschaad als zij gedwongen zou worden om een volledige werkweek te werken, rekening houdend met de in de FML van 8 mei 2014 aangegeven beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat de in het rapport neergelegde opvatting van de door de Raad benoemde afwijkt van de opvatting van een andere, door een der partijen geraadpleegde, deskundige is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Ook overigens geven de bezwaren van Hollander tegen het rapport van Blanken daartoe geen aanleiding. Blanken is in zijn reactie van 3 november 2015 bij zijn eerder ingenomen standpunt gebleven. Hij heeft de kanttekeningen die Hollander bij zijn rapport had geplaatst gemotiveerd weersproken en heeft, rekening houdend met de aangenomen beperkingen, geen reden gezien de conclusies, de inhoud van zijn verslag en de beantwoording van de vragen te wijzigen.

4.2.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) P. Boer

AP