Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1037

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
14-7079 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De bevindingen zijn inzichtelijk en consistent onderbouwd. Geen twijfel aan in de FML vastgelegde beperkingen. Geen twijfel aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7079 WIA

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

13 november 2014, 13/3593 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. Th. H. Meeuwis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Meeuwis. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als schoonmaakster toen zij zich voor dit werk in 2006 heeft ziek gemeld wegens psychische klachten. Het Uwv heeft daarop vastgesteld dat appellante na het doorlopen van de wettelijk voorgeschreven wachttijd recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft in 2012 een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de uitkomst van dit onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 7 december 2012 vastgesteld dat appellante met ingang van 8 februari 2013 geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.

1.2.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 december 2012 is bij besluit van

11 juni 2013 (bestreden besluit) in zoverre gegrond verklaard dat vastgesteld is dat appellante niet per 8 februari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt is, maar eerst per 12 augustus 2013. Daaraan ten grondslag liggen rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij een expertise laten verrichten door psycholoog E.H. Ameling.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat uit het door psycholoog Ameling uitgebrachte rapport niet eenduidig kan worden afgeleid dat dit rapport zorgvuldig tot stand is gekomen, geen inconsistenties kent en de gegeven beoordeling juist is. Uit het in beroep overgelegde verslag van 26 maart 2014 van de gesprekken die de (klinisch) psychologen

J.H. Konings-Hagen en F. Koopmans met appellante hebben gevoerd blijkt dat sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, gecompliceerde rouw en een paniekstoornis zonder agorafobie. Deze conclusie strookt niet met de conclusie van Ameling, die heeft geconcludeerd dat sprake is van malingering. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de conclusie van Ameling heeft mogen overnemen. Ter nadere onderbouwing heeft appellante informatie van psychiater dr. I. Keuning van

4 augustus 2015 en 25 januari 2016 ingezonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts dossieronderzoek heeft verricht, telefonisch informatie heeft opgevraagd bij de huisarts en appellante op het spreekuur van 9 oktober 2012 heeft onderzocht. Op grond van het eigen onderzoek is deze arts tot de conclusie gekomen dat er geen psychisch ziektebeeld bekend is dat gepaard gaat met de wijze van presenteren van appellante. Uit zorgvuldigheid is - op grond van de door de GGZ in 2008 gestelde diagnose aanpassingsstoornis met gemengde emotionele en gedragsmatige klachten - een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld met onder meer forse beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante.

4.2.

Psycholoog Ameling heeft appellante op verzoek van het Uwv op 23 april 2013 onderzocht. Van zijn bevindingen heeft Ameling op 3 mei 2013 rapport uitgebracht. Hij heeft vermeld dat het gedrag van appellante tijdens zijn onderzoek gelijkvormig lijkt aan wat zij sinds 2006 tijdens andere beoordelingsmomenten heeft laten zien. Appellante presenteert een mutistisch beeld, een ernstig lacunair geheugen en in feite zwakzinnigheid. Een depressie is bij observatie niet constateerbaar. Lijdensdruk in reguliere zin evenmin. Dit conglomeraat van gedragingen en stemmingen past niet bij de classificatie aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Deze classificatie is primair neurotisch en niet defectueus van aard. Het zou met enige moeite kunnen passen bij een psychiatrisch, defectueus beeld van een zeer ernstig en acuut getraumatiseerd persoon, maar daar lijkt geen sprake van en daar past onder meer het uiterlijk van appellante volstrekt niet bij. De observaties passen wel moeiteloos bij malingering. Waarschijnlijk moeten de eerste ernstige gedragsstoornissen in het verleden waaraan de huisarts refereert en waarvoor geen objectivering bestaat, vanuit ditzelfde kader worden geïnterpreteerd. Door dit gedrag bestaan geen positieve argumenten die een eventuele stoornis kunnen onderbouwen. Het is in een dergelijke situatie onjuist om dan maar een stoornis te veronderstellen, omdat een ernstige stoornis niet volledig kan worden uitgesloten. Een ernstige stoornis is volgens Ameling echter zeer onwaarschijnlijk, terwijl malingering juist zeer waarschijnlijk te achten is. Wat niet betekent dat een persoon in psychische zin gezond of evenwichtig genoemd moet worden, maar wat er eventueel aan de hand zou kunnen zijn, wordt door dit gedrag geheel aan het zicht onttrokken en kan dus niet worden vastgesteld. Hieruit volgt volgens Ameling dat geen diagnose kan worden vastgesteld.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met inachtneming van de bevindingen in dit rapport het standpunt ingenomen dat, nu sprake is van malingering, geen psychische stoornissen zijn vast te stellen en daardoor ook geen beperkingen op dit vlak. Hij heeft de FML aangepast in die zin dat enkel de fysieke beperkingen uit de door de verzekeringsarts opgestelde FML in de FML van 22 mei 2013 zijn overgenomen.

4.4.

De in beroep en hoger beroep ingezonden informatie van de verschillende behandelaren van appellante ziet op een periode van na de datum hier in geding. Uit deze informatie blijkt bovendien niet dat de (klinisch) psychologen en de psychiater kennis hebben genomen van het rapport van psycholoog Ameling of dat met de mogelijkheid van malingering bij de totstandkoming van deze informatie rekening is gehouden. Nu psychiater Keuning in de brief van 25 januari 2016 heeft vermeld dat na herhaaldelijk overleg tussen [instantie 1] en [instantie 2] , Kliniek [plaats] , geen samenwerking tot stand is gekomen en dat appellante daarom is terugverwezen naar de huisarts, wordt in de overgelegde informatie geen aanleiding gezien het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Deze arts heeft zich daarbij mogen baseren op het rapport van psycholoog Ameling. Dit rapport geeft immers blijk van een zorgvuldig onderzoek en de bevindingen zijn inzichtelijk en consistent onderbouwd. Hieruit volgt dat geen twijfel bestaat aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML vastgelegde beperkingen.

4.5.

Uitgaande van de juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op de Resultaat Functiebeoordeling van 3 juni 2013 alle signaleringen van een afdoende motivering voorzien.

4.6.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.5 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en F.M.S. Requisizione en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.W.L. van der Loo

AP