Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
14-4689 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Geen nieuw feit of veranderde omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4689 ZW

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 juli 2014, 13/3676 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 19 augustus 2015 heeft H.J.A. Aerts, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Daartoe opgeroepen is Aerts namens appellante verschenen. Het Uwv heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest bij verschillende werkgevers. Vanaf 8 december 2009 heeft zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Daarnaast heeft appellante als schoonmaakster gewerkt, totdat zij zich met ingang van 8 maart 2012 heeft ziek gemeld. Die ziekmelding is door het Uwv bevestigd bij brief van 13 maart 2012, waarbij is vermeld dat tijdens ziekte de WW-uitkering gedurende maximaal dertien weken wordt doorbetaald. In aansluiting op een brief van 3 april 2012, waarbij de afspraak is vermeld dat appellante met ingang van 16 april 2012 hersteld is, heeft het Uwv op 17 april 2012 aan appellante bericht dat zij sinds 16 april 2012 is hersteld en dat de controle voor de Ziektewet (ZW) wordt beëindigd. Haar dienstverband als schoonmaakster is per 19 april 2012 beëindigd.

1.2.

Vanuit de situatie dat appellante een WW-uitkering ontving heeft zij zich met ingang van 15 oktober 2012 opnieuw ziek gemeld. Bij besluit van 10 januari 2013 is aan appellante bericht dat zij, nadat de WW-uitkering tijdens ziekte dertien weken was doorbetaald, vanaf

14 januari 2013 een ZW-uitkering ontvangt. Bij besluit van 6 mei 2013 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 januari 2013 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 6 mei 2013 is bij uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 juli 2014 ongegrond verklaard. Het hoger beroep daartegen is met toepassing van de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij uitspraak van de Raad van 22 juli 2015

niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die uitspraak is geen verzet gedaan.

1.3.

Bij brief van 21 mei 2013 heeft appellante het Uwv verzocht terug te komen van de hersteldverklaring per 16 april 2012. Bij besluit van 28 mei 2013 heeft het Uwv afwijzend op dat verzoek beslist. Bij besluit van 8 november 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv met toepassing van artikel 4:6 van de Awb en na een uitgebracht rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het besluit van 17 april 2012 onherroepelijk is geworden en er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb zijn waarin het Uwv aanleiding had behoren te vinden daarvan terug te komen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat zij vanaf 8 maart 2012 en ook op en na 16 april 2012 onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven. Zij heeft verwezen naar haar latere ziekmelding per 15 oktober 2012 en de informatie van psychiater

E. Berghmans van 5 februari 2013, die de diagnoses depressieve episode, ernstig, chronisch verloop en posttraumatische stressstoornis heeft gesteld. Verder heeft zij vermeld dat de ziekmelding per 15 oktober 2012 uiteindelijk heeft geleid tot toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen bij besluit van 28 augustus 2014.

3.2.

Het Uwv heeft gesteld dat ook in hoger beroep geen feiten of omstandigheden zijn vermeld die aanleiding geven tot een ander oordeel dan in het bestreden besluit vermeld. Verzocht is de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellante betreft een verzoek om terug te komen van het besluit van

17 april 2012, dat zo moet worden verstaan dat het recht op ziekengeld van appellante wegens het niet langer ongeschikt zijn tot het verrichten van haar arbeid met ingang van 16 april 2012 is beëindigd. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met juistheid de rechterlijke toets van het bestreden besluit met verwijzing naar artikel 4:6 van de Awb beperkt.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank, dat de medische gegevens van psychiater Berghmans geen nieuw feit of veranderde omstandigheid behelzen, zoals in artikel 4:6 van de Awb bedoeld, wordt onderschreven, evenals de gronden waarop dat oordeel berust.

4.3.

Wat in hoger beroep is aangevoerd, biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel. De informatie van psychiater Berghmans van 5 februari 2013 geeft geen inzicht in de gezondheidssituatie van appellante ten tijde hier van belang. Voorts wordt er nog op gewezen dat in de gegevens die appellante bij haar ziekmeldingen in maart 2012 (baarmoederoperatie) en oktober 2012 (griep en verkoudheid) heeft vermeld, haar hervatting in werk gedurende enige tijd in september 2012 en het door de rechtbank in haar uitspraak van 11 juli 2014 gegeven oordeel dat appellante op 15 oktober 2012 weer ziek is geworden en niet per eerdere datum, evenmin steun voor het standpunt van appellante kan worden gevonden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) L.L. van den IJssel

JvC