Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1032

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
14-5694 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering terecht blijvend geheel geweigerd. Werkloosheid kan appellant in overwegende mate worden verweten. Diefstal tas. Dat de werkgever in de vaststellingsovereenkomst geen diefstal meer aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ten grondslag heeft gelegd, doet hier niet aan af, nu het ontslag op staande voet wegens diefstal is gegeven en deze is komen vast te staan, terwijl ook de beëindiging via deze overeenkomst haar oorzaak vindt in het zonder enig bericht onder zich houden van de tas.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5694 WW

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

30 september 2014, 14/5720 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 2 juli 2013 als schoonmaker in dienst getreden bij [BV] (werkgever). Op 7 maart 2014 is appellant wegens diefstal van een damestas op staande voet ontslagen. De werkgever heeft het ontslag bij brief van 10 maart 2014 bevestigd. Op 24 april 2014 hebben appellant en de werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd per

7 maart 2014. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat als gevolg van voortschrijdend inzicht en nadere uitleg van appellant, de werkgever tot de conclusie is gekomen dat appellant niet de opzet heeft gehad zich de tas wederrechtelijk toe te eigenen. Niettemin heeft, volgens deze overeenkomst het wegnemen van de tas tot een onherstelbare vertrouwensbreuk tussen partijen geleid.

1.2.

Op 14 maart 2014 heeft appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 21 maart 2014 heeft het Uwv de WW-uitkering per

7 maart 2014 blijvend geheel geweigerd, omdat appellant wegens een dringende reden is ontslagen en daarom verwijtbaar werkloos is.

1.3.

Bij besluit van 2 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen. Appellant heeft op maandag

3 maart 2014 na afloop van het werk bij [project] , het project waar hij werkzaam was, een damestas uit de parkeergarage mee naar huis genomen. Nadat hij hiermee op vrijdag 7 maart 2014 door de werkgever was geconfronteerd is hij op staande voet ontslagen. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat sprake is van diefstal. Appellant heeft eigenstandig, in strijd met de richtlijnen van de werkgever en zonder toestemming de tas weggenomen en vervolgens onder zich gehouden zonder hiervan mededeling te doen aan de werkgever. De stelling van appellant dat hij daadwerkelijk voornemens was de tas op vrijdag 7 maart mee te nemen naar het werk acht de rechtbank niet geloofwaardig. Toen hij op die dag door de werkgever met de belastende camerabeelden werd geconfronteerd, had hij de tas nog steeds niet teruggebracht. Ook heeft appellant geen enkele verklaring kunnen geven waarom hij niet onmiddellijk melding bij de werkgever heeft gemaakt van het meenemen van de tas. Dat bevreemdt te meer nu zich in de tas persoonlijke eigendommen bevonden die voor de eigenaresse van belang waren. Aan het ontslag lag dan ook een objectief dringende reden ten grondslag waarvan appellant een verwijt kan worden gemaakt. De vaststellingsovereenkomst van 24 april 2014 staat niet in de weg aan de aanwezigheid van een subjectieve dringende reden voor het ontslag, nu deze kennelijk diende ter verzachting van de gevolgen van het ontslag voor appellant en niet afdoet aan het feit dat de werkgever het gedrag van appellant niet kon tolereren en daarin noodzaak zag hem te ontslaan. Het Uwv dient hierbij een eigen afweging te maken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van diefstal. Appellant heeft niet het oogmerk gehad zich de tas wederrechtelijk toe te eigenen. Hij was van plan de tas op vrijdag 7 maart aan de meewerkend voorvrouw te geven, die hij pas die dag weer zou zien. Hij is die dag voorafgaand aan het werk met de auto naar een afspraak gegaan. Het was appellants bedoeling om na de afspraak met de auto naar huis te gaan, de tas op te halen en met de fiets naar het werk te gaan. Omdat de afspraak onverwacht uitliep was er geen tijd meer om eerst naar huis te gaan en de tas op te halen, maar is appellant rechtstreeks met de auto naar het werk gereden. Het was zijn bedoeling om de tas na afloop van het werk op te halen en aan de voorvrouw te overhandigen. Appellant betreurt dat hij niet onmiddellijk melding heeft gemaakt van het feit dat hij de tas heeft meegenomen, maar had niet de bedoeling de tas voor zichzelf te houden. Dit wordt bevestigd door de vaststellingsovereenkomst, waarin de werkgever heeft verklaard dat appellant niet de opzet heeft gehad zich de tas wederrechtelijk toe te eigenen. Dat bij het intrekken van het ontslag op staande voet het menselijk aspect een rol heeft gespeeld zal zo zijn, maar de voornaamste overweging van de werkgever was de inschatting van het procesrisico. De rechtbank heeft miskend dat door de vaststellingsovereenkomst niet langer sprake was van een beëindiging van het dienstverband wegens een dringende reden, maar op grond van een verstoorde arbeidsrelatie.

4. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is de werknemer verwijtbaar werkloos als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt. Als de werknemer de verplichting om verwijtbare werkloosheid te voorkomen niet is nagekomen, weigert het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.2.

Ter beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt dient volgens vaste jurisprudentie een materiële beoordeling plaats te vinden. De wijze waarop het dienstverband is beëindigd is niet bepalend. Aan de werkloosheid kan ook een dringende reden ten grondslag liggen als de werkgever na protest van de werknemer tegen een ontslag op staande voet tot een andere beëindigingsvorm heeft besloten (ECLI:NL:CRVB:2013:1925). Nu het Uwv het ontslag baseert op de stelling dat appellant diefstal heeft gepleegd, rust op het Uwv de last van het bewijs van diefstal (ECLI:NL:CRVB:2011:BP0907).

5.3.

Op grond van de feiten, weergegeven in 2, is voldoende vast komen te staan dat appellant niet voornemens was de tas uit eigen beweging terug te brengen. De door appellant gegeven verklaring voor de gang van zaken is niet geloofwaardig. De overwegingen hierover van de rechtbank worden onderschreven. Het Uwv heeft dan ook met juistheid gesteld dat appellant diefstal heeft gepleegd en dat daarmee aan de werkloosheid een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 van het BW ten grondslag ligt en dat appellant daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Dat de werkgever in de vaststellingsovereenkomst van 24 april 2014 geen diefstal meer aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een grondslag heeft gelegd, doet hier niet aan af, nu het ontslag op staande voet wegens diefstal is gegeven en deze is komen vast te staan, terwijl ook de beëindiging via deze overeenkomst haar oorzaak vindt in het zonder enig bericht onder zich houden van de tas.

5.4.

Er is geen aanleiding om te concluderen dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten. De WW-uitkering is dan ook terecht blijvend geheel geweigerd.

5.5.

Wat is overwogen in 5.1 tot en met 5.4 leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en E. Dijt en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) C. Moustaïne

UM