Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1030

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
14-4409 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Geen twijfel aan de juistheid van de daaruit getrokken conclusie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4409 ZW

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 juni 2014, 14/615 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A van den Os, werkzaam bij ARAG SE Nederland, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 20 januari 2016 heeft mr. W.J. Aanen, kantoorgenoot van mr. Van den Os, zich als opvolgend gemachtigde gesteld en nadere stukken ingediend waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aanen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als communicatie adviseur voor 28 uur per week. Wegens een reorganisatie is het dienstverband beëindigd en is aan appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze situatie heeft appellante zich op 22 juli 2013 ziek gemeld vanwege een hersenschudding en schouderklachten na een val van een trap. Nadien zijn haar klachten uitgebreid met angstklachten na een brand in de woning van de buren.

1.2.

Appellante heeft in het kader van haar ziekmelding een aantal keer het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv bezocht, laatstelijk op 24 oktober 2013. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van gelijke datum geconcludeerd dat er geen objectiveerbare afwijkingen zijn en dat ongeschiktheid voor het eigen werk niet meer aan de orde is. Hij acht appellante per 28 oktober 2013 hersteld voor de maatgevende arbeid. Bij besluit van 24 oktober 2013 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 28 oktober 2013 beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 oktober 2013 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat uit de onderzoeken voldoende gegevens naar voren zijn gekomen voor de verzekeringsartsen van het Uwv om tot een afgewogen oordeel te komen over de voor appellante geldende beperkingen. De rechtbank zag geen aanleiding die onderzoeken onzorgvuldig of te summier te achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat aan alle klachten van appellante aandacht is besteed en dat de informatie van de huisarts daarbij is betrokken. De rechtbank zag geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft gemotiveerd waarom de door appellante overgelegde verklaring van haar behandelend psychologe niet tot een ander oordeel leidt. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de verzekeringsartsen de belasting van het eigen werk van appellante hebben onderschat.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie gelijke gronden als in bezwaar en beroep aangevoerd. Zij heeft zich ook in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de artsen van het Uwv haar belastbaarheid op de datum in geding onjuist hebben ingeschat en dat de rechtbank in haar uitspraak ten onrechte de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid heeft onderschreven. Appellante heeft hiertoe verwezen naar het in beroep ingediende rapport van haar behandelend psychologe van 23 april 2014. Daarnaast heeft appellante herhaald dat van een onjuiste belasting van haar werk als communicatie adviseur is uitgegaan. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante diverse stukken ingediend. Tot slot heeft appellante aangevoerd dat de belasting van het eigen werk haar belastbaarheid op

28 oktober 2013 overschreed en dat zij per die datum niet in staat was haar arbeid te verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat hij volledig is uitgegaan van het werk zoals dat door appellante in het bezwaarschrift beschreven is. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ingaande op de aangevoerde gronden en ingediende stukken, nader gemotiveerd dat de belasting van de functie van communicatie adviseur niet is onderschat en tevens waarom appellante in staat geacht kan worden per de datum in geding haar arbeid te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van het vijfde lid van artikel 19 van de ZW, is - voor zover hier van belang - bepaald dat ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wordt verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn. In het geval van appellante betreft dit het werk als communicatie adviseur voor 28 uur per week.

4.2.

Als eerste worden de beroepsgronden die verband houden met de inhoud van de maatgevende arbeid besproken. In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat haar functie van communicatie adviseur een hectische functie is, waarin een groot beroep gedaan wordt op het analytisch- en concentratievermogen van de werknemer. Voorts moet in deze functie snel worden gereageerd en gehandeld. Tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante verteld dat in haar werk veel wordt gevraagd op het gebied van alert bijhouden van de media en het kunnen doorgaan in hectische en stressvolle situaties, dat moet worden gecommuniceerd met oog voor effectiviteit en op goede wijze moet worden gereageerd. Al deze aspecten zijn door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zo blijkt uit zijn rapport van 12 december 2013, in zijn beoordeling betrokken. Daarbij is deze arts terecht uitgegaan van de functie zoals die feitelijk door appellante werd uitgevoerd. Gelet hierop hebben de verzekeringsartsen bij hun beoordeling een goed beeld gehad van de aard van de werkzaamheden van appellante.

4.3.

Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Van belang wordt geacht dat appellante zowel door de verzekeringsarts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur is gezien en onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in het kader van de heroverweging in bezwaar verkregen informatie van de huisarts bij zijn beoordeling betrokken en heeft in zijn rapport van 12 december 2013 gemotiveerd waarom de in bezwaar aangevoerde gronden niet slagen. Tot slot heeft deze arts zowel in beroep als in hoger beroep, in rapporten van 7 mei 2014, 13 mei 2014 en 28 januari 2016, inhoudelijk gereageerd op de aangevoerde gronden en het door appellante in beroep ingediende rapport van haar psychologe.

4.4.

Nu sprake is van een voldoende zorgvuldig en volledig medisch onderzoek dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de daaruit getrokken conclusie, dat appellante ondanks de door haar ervaren klachten in staat geacht kon worden om per 28 oktober 2013 haar eigen werk te hervatten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

4.5.

Gelet op hetgeen in hoger beroep en ter zitting is aangevoerd is tussen partijen met name de psychische belastbaarheid van appellante in geschil. Appellante heeft gesteld dat zij vanwege haar psychische klachten per 28 oktober 2013 niet in staat was haar eigen arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij in beroep een rapport van haar psychologe overgelegd en in hoger beroep een brief van haar huisarts van 28 januari 2014. Ten aanzien van de brief van de huisarts is de Raad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep van oordeel dat hierin geen nieuwe gezichtspunten of medische feiten staan vermeld ten aanzien van de datum in geding. De artsen van het Uwv waren ten tijde van de beoordeling van de medische situatie van appellante op de hoogte van de (rest) klachten, voortkomende uit de appellante in juli 2013 overkomen hersenschudding en hebben deze klachten bij de beoordeling van de belastbaarheid betrokken. Voorts blijkt uit de brief van de huisarts dat de paniekaanvallen sinds begin december 2013, te weten na de datum in geding, zijn doorgemaakt. Aan het rapport van de psychologe wordt evenmin doorslaggevende betekenis toegekend, omdat daarin niet inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd op welke (objectieve) onderzoeksbevindingen de daarin gestelde diagnose is gebaseerd. In het rapport wordt geen onderscheid gemaakt tussen objectieve onderzoeksbevindingen en de subjectieve klachtenbeleving van appellante, noch onderbouwd dat appellante al haar tijd en energie zal moeten aanwenden om te herstellen van haar psychische aandoening en dat geen ruimte resteert om in haar arbeid te hervatten. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanwege haar angstklachten beperkingen bij het verrichten van haar arbeid zal ervaren, noch dat zij gebaat zal zijn bij therapie, maar anders dan de psychologe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn eerder vermelde rapporten gemotiveerd dat het door appellante hervatten in haar arbeid, aan het kunnen volgen van therapie niet in de weg staat.

4.6.

Nu het volgens vaste rechtspraak tot de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts behoort om medische informatie te vertalen in arbeidsbeperkingen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BU1907) en dit door de artsen van het Uwv inzichtelijk gemotiveerd is gedaan, wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van deze artsen.

4.7.

Aangezien in hoger beroep geen nieuwe medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep per de datum in geding van een onjuiste medische belastbaarheid is uitgegaan, wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.8.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) C. Moustaïne

HD