Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
14-1051 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag van appellant om maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in nood verkeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1051 WMO

Datum uitspraak: 23 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

13 februari 2014, 13/5031 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.F. Fischer, kantoorgenoot van mr. Sprakel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van der Voorn en C. Rijksen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1974 en afkomstig uit Algerije, is in 2002 via Spanje Nederland binnengekomen. In 2007 is zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Ten tijde in dit geding van belang had appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland.

1.2.

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft het college de aanvraag van appellant om maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 juni 2013 is bij besluit van

25 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant gelet op zijn verblijfsstatus ingevolge de artikelen 10 en

11 van de Vreemdelingenwet geen aanspraak kan maken op toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Daarbij is verder aangegeven dat appellant niet behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven. Appellant heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat zijn situatie zodanig schrijnend is dat het college hem opvang dient te verlenen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in nood (“immediate risk of destitution”) verkeerde.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij ten onrechte geen maatschappelijke opvang krijgt ingevolge de Wmo. Appellant verkeert in een noodsituatie. Het is voor hem niet mogelijk terug te keren naar Algerije. Verder beschikt hij niet over de middelen om te voorzien in onderdak, voeding en kleding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang van appellant dateert van vóór 24 februari 2014, zodat, onder verwijzing naar de uitspraken van 16 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2444, en 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834, ter beoordeling van de aanspraken van appellant nog het recht van toepassing is, zoals dat gold voor de uitspraken van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, en 26 november 2015.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1884) loopt bij een aanvraag als hier aan de orde de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel van de datum van de aanvraag tot en met de datum van de beslissing op bezwaar. In dit geval betekent dit dat de periode van belang de periode van 5 juni 2013 tot en met 25 september 2013 betreft.

4.3.

Volgens de rechtspraak van de Raad, zoals die gold ten tijde in dit geding van belang, behoort iemand tot deze categorie indien de fysieke en psychische gezondheid van die persoon substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang. In het onderhavige geval is tussen partijen niet in geschil dat appellant zich niet in een dergelijke situatie bevond. De Raad is verder van oordeel dat in het geval van appellant geen sprake is van een zeer bijzondere combinatie van omstandigheden als bijvoorbeeld aan de orde in de voornoemde uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, zodat ook daaruit geen recht op opvang voortvloeit. Het college heeft de aanvraag van appellant terecht afgewezen op de grond dat hij niet behoorde tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) J.R. van Ravenstein

JvC