Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1019

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
24-03-2016
Zaaknummer
15/406 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsartsen zijn ook van oordeel dat sprake is van consistent klachtenpatroon. Met expertise van Niewold voldoende en overtuigend gemotiveerd dat appellante is aangewezen op urenbeperking. Bij Standaard Verminderde Arbeidsduur is dagverhaal verzekerde van betekenis. Geen sprake van inadequaat herstelgedrag. Standpunt urenbeperking door Uwv onvoldoende gemotiveerd. Opdracht Uwv de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0260
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/406 WIA-T

Datum uitspraak: 18 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 25 november 2014, 13/3805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een nader rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2016. Ter zitting is Beukema namens appellante verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 35 uur per week. Voor dat werk is zij op 8 september 2009 uitgevallen wegens lichamelijke klachten. Aan de werkgever van appellante is tot 16 januari 2013 een loonsanctie opgelegd. Hierdoor is de behandeling van de aanvraag voor een uitkering op grond van Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellante uitgesteld.

1.2.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 december 2012 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat appellante met ingang van 16 januari 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 28 mei 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard en heeft hiertoe overwogen dat het medisch onderzoek op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet voorts in de door appellante in beroep overgelegde medische expertise van 10 april 2014, uitgevoerd door neuroloog

J.U.R. Niewold, onvoldoende aanknopingspunten om de medische beoordeling onjuist te achten. De rechtbank overweegt dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde pijn- en vermoeidheidsklachten. De bevindingen van de verzekeringsartsen en de door appellante ingeschakelde neuroloog Niewold komen in grote lijnen overeen, zo constateert de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar reactie van 20 juni 2014. Het verschil van inzicht betreft met name de vraag of de aan te nemen beperkingen dwingen tot het aannemen van een urenbeperking. Anders dan de verzekeringsartsen en arts P. Hulleman van Ergatis, ziet neuroloog Niewold hiervoor aanleiding, op grond van de anamnese in samenhang met het dagverhaal en de gestelde diagnosen reumatoïde artritis en fibromyalgie. De rechtbank overweegt dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv valt op te maken dat ook zij een en ander in hun beoordeling hebben betrokken en dat ook zij van oordeel zijn dat er sprake is van een consistent klachtenpatroon. Dit heeft ertoe geleid dat aanzienlijke beperkingen zijn gesteld wat betreft het verrichten van arbeid. In verband met de vraag of daarnaast nog een beperking in uren is aangewezen, wegen de verzekeringsartsen met name de eigen ervaringen van appellante anders dan Niewold. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 oktober 2014 te kennen gegeven dat de op grond van het dagverhaal van appellante aangenomen grenzen niet als absoluut gegeven kunnen worden aanvaard en dat de op grond van dit dagverhaal bepleite langdurige rustmomenten kunnen leiden tot deconditionering. De in dit opzicht andersluidende opvatting van de door appellante ingeschakelde deskundige is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de beoordeling van de verzekeringsartsen. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de Functionele MogelijkhedenLijst (FML) van 26 april 2013, op basis waarvan het standpunt van de arbeidsdeskundigen dat appellante geschikt is te achten voor het eigen werk van administratief medewerkster, voor juist kan worden gehouden.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen deze uitspraak gekeerd en aangevoerd dat de bevindingen van de verzekeringsartsen onjuist zijn, gezien haar eigen bevindingen en die van haar behandelend artsen. Een urenbeperking op energetische gronden is volgens eiseres aangewezen, nu 15 uur per week passende arbeid maximaal haalbaar is door haar pijn- en vermoeidheidsklachten. Voorts rijmen de aangenomen beperkingen wat betreft hand- en vingergebruik niet met de lichte, in de FML opgenomen, beperkingen wat betreft het werken met toetsenbord en muis. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar de door haar in beroep overgelegde expertise van neuroloog Niewold.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Over de medische grondslag van het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen en zij verwijst hierbij naar de medische expertise van Niewold. Niewold heeft op basis van een uitgebreide anamnese, een lichamelijk onderzoek en een samenvatting van de aanwezige dossiergegevens, bij appellante een urenbeperking tot 4 uur per dag en maximaal 20 uur per week aangewezen geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op de expertise van Niewold bij haar rapport van 20 juni 2014 te kennen gegeven dat, hoewel er sprake is van consistentie in de presentatie van de vermoeidheids- en pijnklachten, dit onvoldoende is om een urenbeperking aan te nemen. Op basis van het dagverhaal geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen dat appellante met enkele rustmomenten tussendoor de hele dag bezig kan blijven met lichte activiteiten. In reactie hierop heeft Niewold bij brief van 30 september 2014 te kennen gegeven dat hij zijn conclusie handhaaft en dat de rustmomenten waaraan de verzekeringsarts bezwaar en beroep refereert, zowel op werkdagen als op vrije dagen minimaal 2 uur in de ochtend en 2 uur in de middag betreffen. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij nader rapport van 8 oktober 2014 te kennen gegeven dat de op grond van het dagverhaal van appellante aangenomen grenzen niet als absoluut gegeven kunnen worden aanvaard en dat de langdurige rustmomenten kunnen leiden tot deconditionering. Het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de door appellante in acht genomen rustmomenten leiden tot deconditionering wordt echter niet nader gemotiveerd en niet geconcretiseerd voor appellante, zodat de Raad dit standpunt niet overtuigend acht. Niet in geschil is dat appellante lijdt aan reumatoïde artritis en fibromyalgie en evenmin is in geschil dat deze aandoeningen gepaard gaan met pijn- en vermoeidheidsklachten. Niewold heeft voldoende overtuigend gemotiveerd dat de pijnklachten bij appellante kunnen verergeren bij langdurige belasting, dat deze vervolgens gepaard gaan met toenemende vermoeidheid en dat bij een te hoge belasting er in de regel sprake zal zijn van toenemende pijnklachten die niet tijdig herstellen, waardoor de belastbaarheid weer zal worden beperkt. Dit wordt ondersteund door de verklaring van appellante en het feit dat zij diverse pogingen heeft ondernomen om haar arbeidsduur uit te breiden. Nu de bevindingen van de verzekeringsartsen en van Niewold in grote lijnen overeenkomen en ook de verzekeringsartsen van oordeel zijn dat er sprake is van een consistent klachtenpatroon bij appellante, is met de expertise van Niewold voldoende inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellante is aangewezen op een urenbeperking. Daarbij wordt betrokken dat op basis van de Standaard Verminderde Arbeidsduur bij een beoordeling aan het dagverhaal van verzekerde betekenis wordt gehecht en er ook volgens de verzekeringsartsen bij appellante geen sprake is van inadequaat herstelgedrag. De Raad acht het standpunt van het Uwv dat een urenbeperking niet aan de orde is onvoldoende gemotiveerd en ziet in de beschikbare gegevens geen aanleiding om de conclusies van Niewold onjuist te achten. Het bestreden besluit, zoals dit nu luidt, zal daarom in rechte geen stand kunnen houden.

4.2.

Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen, berust het bestreden besluit op een gebrekkige motivering, zodat het in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen.

4.3.

Teneinde tot een definitieve beslechting van het geschil te komen, wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, het Uwv op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het Uwv dient te onderzoeken welke consequenties het aannemen van een urenbeperking van

4 uur per dag en 20 uur per week voor de aanspraak van appellante op uitkering ingevolge de Wet WIA per 16 januari 2013 heeft.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.P.M. Zeijen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2016.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) R.L. Rijnen

UM