Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1008

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
22-03-2016
Zaaknummer
14/3214 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Akkoord met 50/50 verdeling van de kinderbijslag na wijziging gezinssamenstelling. Met nieuw besluit geheel tegemoetgekomen. Geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3214 AKW

Datum uitspraak: 18 maart 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

25 april 2014, 12/2511 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

[belanghebbende] te [woonplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Belanghebbende heeft zich als partij gesteld en enkele stukken overgelegd.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2015. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal. Belanghebbende is in persoon verschenen.

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 11 september 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3091) een tussenuitspraak gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de Svb een nieuw besluit op bezwaar van

7 oktober 2015 genomen.

Appellant heeft bij brief van 19 november 2015 zijn zienswijze gegeven. Belanghebbende heeft - daartoe herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld - niet gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad verwijst voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de tussenuitspraak en volstaat hier met het volgende. In geding is de kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) over het derde kwartaal van 2011 tot en met het tweede kwartaal van 2012.

1.2.

Ter uitvoering van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen heeft de Svb een nieuw besluit genomen. Bij dit besluit van 7 oktober 2015 heeft de Svb vastgesteld dat appellant recht heeft op 50% van de kinderbijslag over het derde kwartaal van 2011 tot en met het tweede kwartaal van 2012. Het besluit op bezwaar van 3 september 2012 is ingetrokken. Hetgeen appellant en betrokkene hebben ingevuld op het formulier wijziging gezinssamenstelling, wordt aangemerkt als een betalingsverzoek in de zin van artikel 18, zevende lid van de AKW. Het wordt gezien als een verzoek van appellant om de drie maal 50% van de kinderbijslag, op betaling waarvan appellant recht heeft, uit te betalen aan betrokkene. Appellants latere verzoek om de kinderbijslag voor een van de drie kinderen volledig aan hem te betalen, wordt ook aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 18, zevende lid van de AKW. Dat verzoek kan niet worden toegewezen omdat appellant op grond van artikel 5a van het Samenloopbesluit voor ieder kind slechts recht heeft op betaling van 50% van het bedrag. Omdat appellant in hoger beroep het standpunt heeft ingenomen dat als betaling van 100% van de kinderbijslag voor één kind niet mogelijk is, hij betaling van drie maal 50% van de kinderbijslag wil ontvangen, is dat verzoek gehonoreerd.

1.3.

Appellant heeft in zijn zienswijze meegedeeld zich te kunnen vinden in een 50/50 verdeling van de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2011.

1.4.

Belanghebbende heeft niet gereageerd.

2. Nu er tussen partijen, over de kwartalen die in geding zijn, geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De Svb is met het nieuwe besluit volledig tegemoetgekomen aan hetgeen appellant met het hoger beroep kon bereiken. De kwartalen na het tweede kwartaal van 2012 liggen niet ter beoordeling voor.

3. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 496,- voor in beroep verleende rechtsbijstand. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar en hoger beroep is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 496,-;

- bepaalt dat de Svb het door appellant betaalde griffierecht van in totaal € 164,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) J.R. van Ravenstein

AP