Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:99

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-01-2015
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
13-2039 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er was sprake van een arbeidsconflict. Echter kan dit niet leiden tot de conclusie dat appellante arbeidsongeschikt was in en door de dienst. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Geen bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven om de forfaitaire regeling van het Bpb geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2039 AW, 13/3350 AW

Datum uitspraak: 22 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

6 maart 2013, 11/9015 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 26 april 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 13/2040 en 13/3345 plaatsgevonden op 20 november 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L. Kuipers en W. van der Giessen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1. Voor de feiten en omstandigheden van deze zaken verwijst de Raad mede naar zijn uitspraak van heden in de zaken 13/2040 en 13/3345. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellante was vanaf 1 april 2002 als [naam functie] werkzaam bij de afdeling [naam afdeling], sectie [naam sectie], van de gemeente Rijswijk.

1.2.

Op 8 april 2010 is appellante (gedeeltelijk) uitgevallen voor haar werk wegens ziekte. Gaandeweg kwam naar voren dat haar klachten verband hielden met de werksituatie. In het bijzonder was sprake van een gespannen verhouding met haar direct leidinggevende L.

1.3.

Bij besluit van 27 september 2010 heeft het college besloten om op grond van artikel 7:3, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling (CAR) vanaf 8 oktober 2010, dat is zes maanden na de eerste ziektedag, over de uren dat appellante arbeidsongeschikt is een korting op de bezoldiging toe te passen van 10%. Daarbij is meegedeeld dat bij voortduring van de (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid na twaalf maanden de bezoldiging wordt gekort naar 75% tot en met de 24e maand. Appellante heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

1.4.

Bij besluit van 4 april 2011 (besluit 1) heeft het college besloten om vanaf 8 april 2011 op grond van artikel 7:3, derde lid, van de CAR een korting op de bezoldiging toe te passen van 25%. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat zij, gelet op artikel 7:3, zevende lid, van de CAR, recht heeft op doorbetaling van haar volledige bezoldiging, omdat zij arbeidsongeschikt is in en door de dienst. Bovendien heeft het college blijkens het deskundigenoordeel van het UWV van mei 2011 onvoldoende meegewerkt aan haar

re-integratie, waardoor de arbeidsongeschiktheid onnodig lang in stand is gebleven.

1.5.

Bij besluit van 21 april 2011 (besluit 2) heeft het college, voor zover nu nog van belang, geweigerd om een door de Vertrouwenspersoon Ongewenst gedrag (vertrouwenspersoon) opgestelde rapportage aan appellante ter beschikking te stellen.

1.6.

Bij besluit van 22 augustus 2011 (besluit 3) heeft het college appellante met ingang van 25 mei 2011 volledig hersteld gemeld en de korting op de bezoldiging per die datum beëindigd.

1.7.

Bij besluit van 12 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Over besluit 1 heeft het college overwogen dat de vraag of appellante arbeidsongeschikt is in en door de dienst niet meer aan de orde kan komen, omdat het besluit van 27 september 2010, waar zij geen bezwaar tegen heeft gemaakt, rechtens onaantastbaar is geworden. Gelet op de samenhang tussen het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met derde lid, en artikel 7:3, zevende lid, van de CAR, staat daarmee vast dat appellante niet arbeidsongeschikt is in en door de dienst. Voor zover deze vraag toch aan de orde zou kunnen zijn, is het college van oordeel dat niet is voldaan aan het volgens vaste rechtspraak voor psychische klachten geldende criterium dat de werkomstandigheden, objectief gezien, een buitensporig of excessief karakter hadden.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover nu nog van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover het college daarbij besluit 2 heeft gehandhaafd wat betreft de weigering om het rapport van de vertrouwenspersoon te verstrekken, het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het college opgedragen in zoverre een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Verder heeft de rechtbank blijkens de overwegingen beoogd om het beroep ongegrond te verklaren voor zover het college bij het bestreden besluit de besluiten 1 en 3 heeft gehandhaafd en heeft zij het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.2.

Bij het in rubriek 1 genoemde nader besluit van 26 april 2013 heeft het college, voor zover nu nog van belang, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak vastgesteld dat appellante inmiddels over het bedoelde rapport van de vertrouwenspersoon beschikt en haar op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (Bpb) voor de in bezwaar gemaakte kosten een vergoeding toegekend van € 708,-.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte besluit 1 niet op zichzelf heeft beoordeeld. Volgens haar was er sprake van abnormale en excessieve arbeidsomstandigheden zodat zij arbeidsongeschikt is geworden in en door de dienst en recht heeft op volledige doorbetaling van haar bezoldiging en op schadevergoeding.

3.2.

De handhaving van besluit 3 is in hoger beroep geen onderwerp van geschil meer.

3.3.

Op het nader besluit heeft appellante schriftelijk gereageerd. De Raad zal dit nader besluit met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

4.1.1.

Ingevolge artikel 7:3, eerste tot en met derde lid, van de CAR, heeft de ambtenaar vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging, bij voortduring van de ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% en na twaalf maanden gedurende de dertiende tot en met de 24e maand van 75% van zijn bezoldiging.

4.1.2.

Ingevolge artikel 7:3, zevende lid, van de CAR behoudt de ambtenaar na afloop van de termijn van zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

4.2.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de vraag of appellante arbeidsongeschikt is geworden in of door de dienst in de procedure over besluit 1 niet meer ter beoordeling kan staan, omdat het besluit van 27 september 2010 in rechte vaststaat. Volgens vaste rechtspraak (uitspraken van 18 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY5576 en van 20 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:544) ziet de (formele) rechtskracht van een besluit op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet mede op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard. Dat wil zeggen dat wel in rechte vast staat dat appellante, bij voortduring van de ongeschiktheid, van 8 oktober 2010 tot 8 april 2011 recht heeft op 90% van haar bezoldiging, maar dat de vraag of zij vanaf 8 april 2011 arbeidsongeschikt is in en door de dienst (opnieuw) kan worden beoordeeld in de procedure over besluit 1.

4.3.

Gelet op de beschikbare medische informatie is het aannemelijk dat de psychische klachten van appellante verband hielden met de werksituatie, in het bijzonder met de gespannen verhouding met haar leidinggevende L. Er was sprake van een arbeidsconflict. Daarmee is echter niet gezegd dat daarmee samenhangende arbeidsongeschikt is veroorzaakt in en door de dienst als bedoeld in artikel 7:3, zevende lid, van de CAR.

4.4.

Voor de beoordeling van die vraag geldt volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX3244) dat de in het werk of de werkomstandigheden gelegen bijzondere factoren, die de arbeidsongeschiktheid zouden hebben veroorzaakt, moeten worden geobjectiveerd. Wanneer de arbeidsongeschiktheid in sterkere mate van psychische aard is, zal in meerdere mate sprake moeten zijn van factoren die in verhouding tot dat werk of die werkomstandigheden - objectief bezien - een buitensporig karakter dragen.

4.5.

Uit het rapport van Bezemer & Kuiper over een in maart 2011 verricht onderzoek naar de problemen bij de sectie I&S komt naar voren dat er bij veel medewerkers onvrede bestond over het functioneren van L. Deze situatie heeft alleen bij appellante geleid tot (langdurige) arbeidsongeschiktheid. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat de werkomstandigheden objectief bezien een buitensporig karakter droegen.

4.6.

Ook het argument van appellante dat de re-integratie-inspanningen van het college blijkens het deskundigenoordeel van het UWV onvoldoende waren, kan niet leiden tot de conclusie dat zij arbeidsongeschikt was in en door de dienst. Zoals vermeld bij het deskundigenoordeel kan het gevolg van dat oordeel voor de werkgever hooguit zijn dat hij in geval van een aanvraag om een WIA-uitkering het loon langer moet doorbetalen.

4.7.

Uit 4.1.1 tot en met 4.6 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit, voor zover daarbij besluit 1 is gehandhaafd, terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, zal dan ook, met verbetering van gronden, worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding zal worden afgewezen.

Het nader besluit

4.7.

Over het nader besluit heeft appellante aangevoerd dat het college haar ten onrechte slechts een forfaitaire vergoeding van de kosten van het bezwaar heeft toegekend. Zij verlangt een volledige vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten. De Raad is echter niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven om de forfaitaire regeling van het Bpb geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten.

4.8.

De Raad zal het beroep tegen het nader besluit dan ook ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 26 april 2013 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en R. Kooper en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2015.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) S.W. Munneke

HD