Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-03-2015
Datum publicatie
03-04-2015
Zaaknummer
13-3877 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending van de inlichtingenverplichting doordat appellante heeft nagelaten om het college direct en uit eigen beweging op de hoogte te stellen van onder meer een bankrekening. Het college kon de conclusie trekken dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet was vast te stellen. Bevoegdheid de bijstand in te trekken en de ter zake gemaakte kosten van appellante terug te vorderen. Grief over willekeur niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3877 WWB

Datum uitspraak: 31 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 juli 2013, 12/1724 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H. Mansveld hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 17 februari 2015. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. van de Vlekkert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 27 oktober 2011 algemene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Tevens heeft zij ten tijde hier van belang bijzondere bijstand ontvangen.

1.2.

Appellante is op 6 februari 2012 gaan werken. Het team Werk, Zorg & Inkomen van de gemeente Peel en Maas heeft vervolgens een beëindigingsonderzoek ingesteld. Daaruit kwam naar voren dat appellante bij de aanvraag om bijstand een rekening bij de Rabobank en een rekening bij de ABN-AMRO niet had opgegeven. Daarnaast kwam naar voren dat zij inkomsten uit werk bij Olympia Uitzendbureau in januari 2012 en een afrekening van haar inkomsten in februari 2012 evenmin had opgegeven.

1.3.

Het college heeft appellante bij brief van 25 januari 2012 verzocht om gegevens met betrekking tot de twee verzwegen bankrekeningen over te leggen. Na ontvangst van een afschrift van de Rabobankrekening heeft het college appellante bij brief van 28 juni 2012 verzocht om voor 28 juli 2012 ook afschriften van ABN-AMROrekening [rekeningnummer] over de periode van 1 januari 2011 tot en met 27 oktober 2011 over te leggen. Daarbij is tevens verzocht om loonstroken over de maand januari 2012 en een afrekening van vakantiegeld, vakantiedagen en overige emolumenten van Olympia Uitzendbureau over te leggen.

1.4.

Het college heeft appellante bij brief van 2 augustus 2012 nogmaals verzocht om de bij brief van 28 juni 2012 bedoelde stukken over te leggen, nu voor 16 augustus 2012.

1.5.

Bij besluit van 16 augustus 2012 voor zover hier van belang, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college de algemene en bijzondere bijstand van appellante over de periode van 27 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 herzien (lees: ingetrokken) en tevens de bijstand met ingang van 1 februari 2012 ingetrokken. Voorts heeft het college de kosten van algemene en bijzondere bijstand over de periode van 27 oktober 2011 tot en met 31 januari 2012 tot een bedrag van € 2.485,08 van appellante teruggevorderd. De besluitvorming berust op de overweging dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door de gegevens van de ABN-AMROrekening met nummer [rekeningnummer] en de salarisspecificaties van januari en februari 2012 van Olympia Uitzendbureau niet over te leggen. Als gevolg van het ontbreken van deze informatie kan het vermogen van appellante en daarmee het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Daarnaast kan het recht op bijstand over de maand januari 2012 niet worden vastgesteld, omdat de loongegevens ontbreken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat alle administratieve bescheiden in februari en maart 2012 zijn overgelegd. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de gevraagde bankgegevens niet van belang waren omdat de betreffende bankrekening reeds in 2009 door haar is opgezegd wegens gebrek aan baten. Appellante heeft tevens aangevoerd dat het college de WWB met een bepaalde willekeur toepast en daartoe gewezen op de toekenning van bijstand aan allochtonen. Appellante heeft tot slot naar voren gebracht dat zij medisch en verbaal beperkingen heeft en dat het college daarvan sinds september 2011 op de hoogte is. Door hiermee geen rekening te houden is het college tekort geschoten in haar zorgplicht die de gemeente voor inwoners heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter beoordeling staat de periode van 27 oktober 2011 (de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken) tot en met 16 augustus 2012 (de datum van het intrekkingsbesluit).

4.2.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.3.

Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.4.

Vaststaat dat appellante de gegevens van ABN-AMROrekeningnummer [rekeningnummer] alsmede de loonstrook van januari 2012 en de afrekening van februari 2012 van Olympia Uitzendbureau niet heeft overgelegd. Het college heeft appellante herhaaldelijk hiertoe in de gelegenheid gesteld. Appellante heeft binnen de haar gegeven hersteltermijn niet om nader uitstel gevraagd, noch om informatie over de wijze waarop zij aan haar verplichtingen kon voldoen. Appellante heeft voorts geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot het oordeel dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de verzochte gegevens over te leggen. Gelet daarop bestaat geen aanleiding om het verzoek van appellante om in hoger beroep een nadere termijn te verkrijgen om alsnog de gegevens over te leggen te honoreren.

4.5.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, had het college er belang bij om de nadere gegevens bij appellante op te vragen. Het college moet ter bepaling van de bijstandbehoevendheid van een belanghebbende op basis van objectieve en verifieerbare gegevens kunnen beoordelen wat het vermogen en inkomen is van een belanghebbende op enig moment gedurende de periode waarin een beroep op bijstand wordt gedaan is en waarvan belanghebbende in de daaraan voorafgaande periode heeft geleefd. Het college heeft dan ook terecht inzage gevraagd in de afschriften van de ABN-AMROrekening met nummer [rekeningnummer] van appellante over de periode vanaf 1 januari 2011. Dit geldt temeer nu appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft nagelaten om het college direct en uit eigen beweging op de hoogte te stellen van onder meer die bankrekening. Voorts waren de opgevraagde salarisspecificatie en afrekening van Olympia Uitzendbureau van belang om het inkomen en daarmee de bijstandbehoevendheid van appellante te bepalen.

4.6.

Uit 4.1. tot en met 4.5. volgt dat, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, het college de conclusie kon trekken dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet was vast te stellen als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting door appellante. Niet is aannemelijk gemaakt dat appellante, als zij wel de op haar rustende inlichtingenverplichting was nagekomen, recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Het college was dan ook bevoegd de bijstand in te trekken en de ter zake gemaakte kosten van appellante terug te vorderen. De beroepsgrond dat het college hiertoe niet bevoegd was slaagt dan ook niet.

4.7.

Appellante heeft nog gesteld dat het college de WWB willekeurig heeft toegepast en tekort is geschoten in de zorgplicht voor appellante als inwoner van de gemeente. Appellante heeft deze gronden niet afdoende toegelicht en haar stelling niet met enig concreet en verifieerbaar gegeven of voorbeeld onderbouwd.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7. volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2015.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) E. Heemsbergen

HD