Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
01-04-2015
Zaaknummer
14-638 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/638 WWB, 14/645 WWB, 15/42 WWB, 15/43 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 19 december 2013, 13/536, 13/1833, 13/1834 (aangevallen uitspraak 1) en 12/2626 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen bij aangevallen uitspraak 1:

[appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik (college 1)

Partijen bij aangevallen uitspraak 2:

[appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Drechterland (college 2)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Mes, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 1.

Namens appellant heeft mr. Mes hoger beroep ingesteld tegen aangevallen uitspraak 2.

College 2 heeft in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd plaatsgehad op 10 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mes. Colleges 1 en 2 hebben zich laten vertegenwoordigen door H. Mentink van WerkSaam Westfriesland, aan welk openbaar lichaam de gemeenten Drechterland en Medemblik in het kader van de gemeenschappelijke regeling WerkSaam Westfriesland met ingang van 1 januari 2015 de uitvoering van onder andere de Participatiewet, met uitzondering van de bijzondere bijstand, hebben overgedragen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen van college 1 van 22 juli 2002 tot 19 februari 2009 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 18 mei 2009 heeft college 1 appellante met ingang van 19 februari 2009 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft college 2 appellant bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Appellante staat sinds 13 juli 2004 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA; thans Basisregistratie Personen) van de gemeente [plaats 2] ingeschreven op het adres [adres 1] (adres van appellante). Appellant stond daar tot 19 februari 2009 ook ingeschreven, maar hij heeft zich met ingang van 19 februari 2009 in de GBA van de gemeente Drechterland ingeschreven op het adres [adres 2] (adres van appellant).

1.3.

Op 3 januari 2012 heeft appellant zich opnieuw laten inschrijven op het adres van appellante. Appellante heeft dit op 3 januari 2012 gemeld bij college 1. Op dat moment was de sociale recherche Noord-Holland Noord (sociale recherche) naar aanleiding van een melding dat appellanten samenwoonden op het adres van appellante al een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht, verkeersgegevens gevorderd betreffende de mobiele telefoonnummers van appellanten, appellanten verhoord en diverse buurtbewoners in [woonplaats] en [plaats 1] gehoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is afgesloten op 15 maart 2012. De voor die datum al bekende onderzoeksresultaten zijn voor college 1 aanleiding geweest om bij besluit van 8 maart 2012 de bijstand van appellante met ingang van 19 februari 2009 in te trekken.

1.4.

College 1 heeft het tegen het besluit van 8 maart 2012 gerichte bezwaar bij besluit van

14 februari 2013 (bestreden besluit 1) gegrond verklaard. Het college heeft het besluit van

8 maart 2012 herroepen en, voor zover hier van belang, de bijstand van appellante over de periode van 19 februari 2009 tot 3 januari 2012 herzien naar de norm voor gehuwden. Daarbij heeft college 1 de door appellant in die periode genoten inkomsten tot een bedrag van

€ 5.750,- in mindering gebracht op de bijstand.

1.5.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende dit beroep heeft college 1 bij besluit van 24 oktober 2013 (bestreden besluit 2), voor zover hier van belang, de kosten van bijstand over de periode van 19 februari 2009 tot 2 januari 2012 tot een bedrag van € 1.529,88 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 24 oktober 2013 (bestreden besluit 3) heeft college 1, voor zover hier van belang, appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze vordering. Appellanten hebben daartegen bezwaar gemaakt en college 1 verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep, wat het college heeft gedaan.

1.6.

De resultaten van het onderzoek van de sociale recherche zijn voor college 2 aanleiding geweest om bij besluit van 4 juli 2012 de bijstand van appellant met ingang van

19 februari 2009 in te trekken en de over de periode van 19 februari 2009 tot 3 januari 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 43.109,27 van appellant terug te vorderen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant in die periode geen woonplaats had in de gemeente Drechterland.

1.7.

College 2 heeft het tegen het besluit van 4 juli 2012 gerichte bezwaar bij besluit van

19 september 2012 (bestreden besluit 4) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten 1, 2, 3 en 4 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - in beide zaken overwogen dat de gedingstukken een voldoende grondslag bieden voor het standpunt van college 1 dat appellanten ook in de periode van

19 februari 2009 tot 3 januari 2012 (te beoordelen periode) een gezamenlijke huishouding voerden. Omdat appellanten gehuwd zijn geweest en samen kinderen hebben, is voor de vaststelling daarvan voldoende dat appellanten in die periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Appellanten stonden weliswaar in de te beoordelen periode op afzonderlijke woonadressen ingeschreven, maar de feitelijke situatie was aldus dat zij beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellante. De rechtbank kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan de getuigenverklaringen die bewoners rondom het adres van appellante in [adres 2] hebben afgelegd. Deze bewoners hebben verklaard dat zij goed en regelmatig contact met appellanten hebben en dat appellanten in de te beoordelen periode in de woning op het adres van appellante woonden.

2.2.

De rechtbank vindt voor haar oordeel dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante steun in getuigenverklaringen die bewoners in de buurt van de woning op het adres van appellant in [plaats 1] hebben afgelegd. Zij hebben verklaard dat die woning in de periode van het najaar 2009 tot het voorjaar van 2011 is bewoond door een jong buitenlands stel, van wie de vrouw hoogzwanger was op het moment dat ze de woning gingen bewonen. Zij verklaren dat appellant niet de bewoner was. Ook geven de getuigen allen aan dat de woning sinds ongeveer een jaar niet meer werd bewoond, nadat het jonge stel de woning had verlaten, alsmede dat het kindje op dat moment kon lopen. Wat appellanten daar tegenin hebben gebracht, doet volgens de rechtbank geen afbreuk aan de eenduidige en consistente verklaringen van deze getuigen.

2.3.

De rechtbank heeft ook gewezen op de getuigenverklaring van een collega van appellant, die appellant sinds halverwege 2010 regelmatig heeft opgehaald bij een benzinestation in [plaats 2] of op een afgesproken plaats in [woonplaats] om naar het werk te gaan en dat hij hem aan het eind van de werkdag dan weer afzette op diezelfde plek. Deze collega heeft verklaard dat appellant woont in het nieuwbouwwijkje in [woonplaats] en dat appellant hem heeft verteld dat hij gehuwd is en bij zijn vrouw en kinderen woont.

2.4.

De rechtbank heeft daarnaast onder andere acht geslagen op de door de sociale recherche verrichte waarnemingen en de onderzoeksgegevens van de mobiele telefoon van appellant.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aan de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ligt ten grondslag dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank heeft terecht overwogen - en niet in geschil is - dat in dat kader kan worden volstaan met de beoordeling of appellanten in de te beoordelen periode beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning op het adres van appellante in [woonplaats].

4.2.

Aan bestreden besluit 4 ligt ten grondslag dat appellant in de te beoordelen periode geen woonplaats had in de gemeente Drechterland, maar in de gemeente [plaats 2], op het adres van appellante in [woonplaats]. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 daarom ten onrechte getoetst of appellanten een gezamenlijke huishouding voerden in de woning op het adres van appellante. De rechtbank had zich moeten beperken tot de beoordeling van de woonplaats van appellant, die volgens college 2 niet [plaats 1] in Drechterland, maar [woonplaats] in [plaats 2] was. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt echter niet tot vernietiging van aangevallen uitspraak 2. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.3.

Gelet op 4.1 en 4.2 moet in het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 en in het hoger beroep tegen uitgevallen uitspraak 2 worden beoordeeld of de gedingstukken voldoende feitelijke grondslag bieden voor de standpunten van college 1 en 2 dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in de woning op het adres van appellante in [woonplaats], respectievelijk of appellant zijn woonplaats had in [woonplaats], wat hier tot dezelfde feitelijke beoordeling leidt.

4.4.

Wat appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, is in essentie een herhaling van de in de beroepen aangevoerde gronden die door de rechtbank zijn beoordeeld en verworpen. De Raad kan in zoverre volstaan met verwijzing naar de aangevallen uitspraken. De verbruiksgegevens van water, gas en elektra van de woning op het adres van appellant in [plaats 1], waarover ter zitting van de Raad is gesproken, leiden niet tot een ander oordeel. De omstandigheid dat er, ook in de periode dat die woning volgens getuigen niet bewoond was, water, gas en elektra is verbruikt, biedt immers geen aanknopingspunt voor het oordeel dat appellant in die woning woonde, en dus daar zijn woonplaats had. Dit voert tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft aangenomen dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden op het adres van appellante in [woonplaats], respectievelijk dat appellant zijn woonplaats had in [woonplaats] en dus niet in [plaats 1].

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 zal aangevallen uitspraak 1 worden bevestigd en zal aangevallen uitspraak 2 worden bevestigd met verbetering van gronden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.H. Bel en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C.M. Fleuren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.M. Fleuren

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip gezamenlijke huishouding.

MK