Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2015
Datum publicatie
26-03-2015
Zaaknummer
13-5327 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het betreft hier de herziening en terugvordering van bijstand en AIO-aanvulling verleend aan een persoon die ten tijde van de verstrekking de leeftijd van 65 jaar reeds had bereikt. Uit de artikelen 47a, 47b en 78i van de WWB volgt dat de Svb in dit geval de bevoegdheid toekomt besluiten te nemen over de herziening en terugvordering van de bijstand en AIO-aanvulling over de periode in geding, verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1235). Vaststaat dat appellant in de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2009 een Bosnisch pensioen heeft ontvangen. Niet in geschil is dat de inkomsten uit het Bosnisch pensioen zijn aan te merken als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB (onverwijld uit eigen beweging etc.) Het had appellant duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat hij in de periode in geding maandelijks opgave moest doen van zijn inkomsten uit het Bosnisch pensioen. Uit het dossier van het college blijkt niet van gegevens dat appellant dit heeft gedaan. Er is hier geen sprake van een situatie waarin een eenmalig gedane onjuiste opgave jarenlang onopgemerkt is gebleven. Door appellant gestelde transactiekosten hebben zich feitelijk niet voorgedaan. De Raad wijst er echter op, onder aanvulling van de rechtsgronden mtv artikel 8:69, eerste lid, van de AWb, dat de WWB - in artikel 33, vijfde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde op 1 juli 2004 - een vrijlatingsbepaling kent voor particuliere oudedagsvoorzieningen, die door de SVB niet is toegepast. Wat betreft de zogeheten zesmaanden- jurisprudentie van de Raad is voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats nu sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Beroep op het rechtszekerheidsbeginsel faalt ook. De Raad ziet aanleiding zelf te voorzien in de financiële uitwerking van de herziening en terugvordering. Vernietiging AU, beroep gg, vernietiging besluit vzv, stelt TV bedrag vast, toekenning pkv en gr.recht.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 33
Wet werk en bijstand 47a
Wet werk en bijstand 47b
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 78i
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/125
USZ 2015/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak: 17 maart 2015

13/5327 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 september 2013, 13/450 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A.M. Kools, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kools. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren [in] 1939, heeft geruime tijd bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college). Bij brief van 18 september 2000 heeft appellant het college meegedeeld dat hij van 18 januari 2000 tot 24 mei 2000 heeft verbleven in Bosnië-Herzegovina, waar hij in ieder geval vanaf april 1954 tot en met januari 1995 heeft gewoond, en dat hij tijdens dat verblijf in 2000 onder meer gegevens over zijn pensioenrechten heeft opgevraagd en gecontroleerd bij het pensioenfonds te Sarajevo. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij mogelijk extra dienstjaren kan claimen, zodat hij bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht zou hebben op een hoger pensioen, en dat als hij die leeftijd bereikt, zijn pensioen uit Bosnië-Herzegovina (Bosnisch pensioen) waarschijnlijk aan het pensioenfonds in Nederland zal worden betaald.

1.2.

Appellant heeft in november 2003 bij de Svb een ouderdomspensioen aangevraagd op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 1 december 2003 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 april 2004 een voorschot op zijn AOW-pensioen ontvangt van € 219,22 bruto per maand. De Svb heeft daarbij vermeld dat het AOW-pensioen nog niet definitief kan worden vastgesteld, omdat nog onderzocht zal moeten worden of appellant mogelijk ook verzekerd is geweest voor een ouderdomspensioen in Bosnië-Herzegovina. In het kader van dat onderzoek zijn pensioengegevens uitgewisseld tussen de Svb en het pensioenfonds te Sarajevo.

1.3.

Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2004 beëindigd omdat appellant op 3 april 2004 de 65-jarige leeftijd bereikt. Op 1 april 2004 heeft appellant bij het college een aanvraag gedaan om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ter aanvulling op zijn AOW-pensioen.

1.4.

Bij besluit van 17 juni 2004 heeft het college appellant met ingang van 1 april 2004 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande, onder aftrek van de inkomsten uit AOW-pensioen. In dit besluit heeft het college appellant erop gewezen dat ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB tot zijn inlichtingenverplichting wordt gerekend:

- dat hij de sector Sociale Zaken van de dienst Publiekszaken van de gemeente Tilburg (Sociale Zaken) meteen informeert over alle veranderingen die van belang zijn voor het recht op bijstand, bijvoorbeeld wijzigingen in zijn inkomsten;

- dat hij maandelijks een volledig en juist ingevulde inkomstenverklaring inlevert bij Sociale Zaken;

- dat hij eventuele inkomsten netto vermeldt op zijn inkomstenverklaring en hiervan een bewijsstuk bijvoegt.

1.5.

Na een heronderzoek in oktober 2005 heeft het college appellant bij besluit van

27 oktober 2005 meegedeeld dat de bijstand ongewijzigd wordt voortgezet. Hierbij is appellant wederom, op dezelfde wijze als in het besluit van 17 juni 2004, gewezen op de reikwijdte van de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB.

1.6.

In december 2009 heeft de Svb appellant laten weten dat de Svb per 1 januari 2010 voor het college de bijstand van appellant betaalt en dat per die datum de bijstand ‘aanvullende inkomensvoorziening ouderen’ (AIO-aanvulling) wordt genoemd.

1.7.

Op een formulier ‘Heronderzoek AIO-aanvulling’, gedagtekend 16 maart 2011, heeft appellant opgegeven dat hij naast het AOW-pensioen geen ander inkomen heeft. Daarop heeft de Svb appellant per brief van 21 maart 2011 meegedeeld dat uit gegevens van de Svb blijkt dat appellant vanaf juli 2004 een Bosnisch pensioen ontvangt, met het verzoek om specificaties/bankafschriften in te zenden waarop de bedragen van dat pensioen vanaf 1 juli 2004 staan vermeld.

1.8.

Naar aanleiding van de door appellant ingezonden specificaties van het Bosnisch pensioen over de maanden december 2010 en januari en februari 2011 heeft een medewerker van de Svb op 26 mei 2011 telefonisch contact opgenomen met een medewerker van de gemeente Tilburg. Deze medewerker heeft, desgevraagd, te kennen gegeven dat de gemeente Tilburg niet van het Bosnisch pensioen van appellant op de hoogte was. In bedoelde specificaties heeft de Svb voorts aanleiding gezien om bij besluit van 27 mei 2011 het bedrag aan AOW-pensioen en AIO-aanvulling vanaf juni 2011 te verlagen tot in totaal € 730,33 per maand. Hierbij heeft de Svb erop gewezen dat appellant er rekening mee moet houden dat zijn AIO-aanvulling over april 2004 tot en met mei 2011 nog wordt aangepast. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.9.

Op 5 augustus 2011 heeft de Svb informatie ontvangen van het pensioenfonds te Sarajevo over de hoogte van het Bosnisch pensioen op maandbasis. Uit deze informatie komt naar voren dat appellant over de periode van juli 2004 tot en met juli 2011 een Bosnisch pensioen heeft ontvangen, oplopend van 353,10 Bosnische Mark (BAM) in juli 2004 tot 555,32 BAM in juli 2011. In verband met deze inkomsten heeft de Svb bij besluit van 18 oktober 2011 de bijstand per 1 juli 2004 en de AIO-aanvulling per 1 januari 2010 herzien en de over de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 september 2011 teveel betaalde aanvullende bijstand en AIO-aanvulling van appellant teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 19.770,69 netto.

1.10.

Hangende het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft appellant, desgevraagd, bij brief van 17 december 2012 te kennen gegeven dat het Bosnisch pensioen niet op zijn bankrekening wordt gestort vanwege de kosten die daarmee zijn gemoeid.

1.11.

Bij besluit van 2 januari 2013 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2011 in zoverre gegrond verklaard dat de herziening en de terugvordering worden beperkt tot de over de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2009 (in geding zijnde periode) verleende aanvullende bijstand en dat het terugvorderingsbedrag wordt verlaagd tot € 15.105,44 netto. Aan het bestreden besluit heeft de Svb het volgende ten grondslag gelegd. Het Bosnisch pensioen is inkomen in de zin van de WWB en dient op de bijstand in mindering te worden gebracht. Bij de overdracht van de bijstand van het college naar de Svb was bij het college niet bekend dat appellant recht had op het Bosnisch pensioen. Uit de door het college overgelegde stukken blijkt niet dat appellant de ontvangst van het Bosnisch pensioen aan het college heeft gemeld. Evenmin heeft appellant bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de wijziging in zijn inkomen tijdig aan het college heeft doorgegeven. Om deze reden treft appellant in grote mate een verwijt. Aan de Svb kan enigszins een verwijt worden gemaakt, aangezien de Svb in verband met de toekenning van AOW-pensioen op de hoogte was van de door appellant opgebouwde pensioenrechten in Bosnië-Herzegovina en daarmee bij de uitbetaling van de AIO-aanvulling per 1 januari 2010 rekening had kunnen houden. Omdat voorts de vordering die voortvloeit uit de herziening met volledige terugwerkende kracht ingrijpend is in het dagelijks leven van appellant, wordt gedeeltelijk van herziening afgezien. Niet gebleken is van een dringende reden om van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betreft hier de herziening en terugvordering van bijstand en AIO-aanvulling verleend aan een persoon die ten tijde van de verstrekking de leeftijd van 65 jaar reeds had bereikt. Uit het samenstel van de artikelen 47a, 47b en 78i van de WWB volgt dat de Svb in dit geval de bevoegdheid toekomt besluiten te nemen over de herziening en terugvordering van de bijstand en AIO-aanvulling over de periode in geding. De Raad volstaat hier verder met verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1235).

Herziening

4.2.

Vaststaat dat appellant in de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 december 2009 een Bosnisch pensioen heeft ontvangen van, omgerekend in euro’s, € 180,54 in juli 2004 oplopend tot € 270,80 in december 2009.

4.3.

Appellant voert aan dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden en stelt in dat verband het volgende. Hij heeft in het kader van zijn AOW-aanvraag aan de Svb kenbaar gemaakt dat hij per 1 april 2004 pensioen zou gaan ontvangen. Ten opzichte van de Svb heeft hij dus voldaan aan zijn inlichtingenverplichting. Van belang daarbij is dat in artikel 78i van de WWB is bepaald dat een besluit van het college tot verlening van algemene bijstand aan een persoon als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, dat is genomen vóór de datum van inwerkingtreding van paragraaf 5.4, met ingang van die datum geldt als genomen door de Svb op grond van paragraaf 5.4. Het toekenningsbesluit van

17 juni 2004 wordt dus geacht te zijn genomen door de Svb. Op dat moment was de Svb al geïnformeerd over het Bosnisch pensioen. Hieruit volgt dat appellant aan op de hem rustende inlichtingenverplichting heeft voldaan. Ook ten opzichte van het college heeft appellant aan die verplichting voldaan. Het college was er immers van op de hoogte dat appellant was aangesloten bij een Bosnisch pensioenfonds en dus pensioen zou gaan ontvangen op het moment dat hij de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken. Dit blijkt uit stukken die zich in het dossier van het college bevinden, te weten een brief van het pensioenfonds te Sarajevo van 14 maart 2000 betreffende het aantal opgebouwde pensioenjaren en de in 1.1 vermelde brief van 18 september 2000. De bijlagen bij laatstgenoemde brief bevinden zich overigens niet in het dossier, zodat het dossier nog steeds incompleet is. Daarnaast heeft appellant tijdens diverse gesprekken met zijn casemanager kenbaar gemaakt dat hij een Bosnisch pensioen ontving.

4.4.

Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.5.

Niet in geschil is dat de inkomsten uit het Bosnisch pensioen zijn aan te merken als feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB. Aangezien appellant in de periode in geding een bijstandsrelatie had met het college, was appellant in die periode gehouden bij het college melding te maken van zijn Bosnische pensioeninkomsten. Dat het toekenningsbesluit van 17 juni 2004 ingevolge artikel 78i, eerste lid, van de WWB geldt als te zijn genomen door de Svb, betekent niet, anders dan appellant betoogt, dat de inlichtingenverplichting in de periode in geding geacht wordt te hebben gegolden ten opzichte van de Svb. Voor zover appellant heeft willen betogen dat hij, door in het kader van zijn AOW-aanvraag informatie over het Bosnisch pensioen te verstrekken aan de Svb, in de periode in geding heeft voldaan aan zijn wettelijke inlichtingenverplichting, slaagt dit betoog dus niet.

4.6.

Gezien de in de besluiten van 17 juni 2004 en 27 oktober 2005 opgenomen informatie over de reikwijdte van de wettelijke inlichtingenverplichting had het appellant duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat hij in de periode in geding maandelijks opgave moest doen van zijn inkomsten uit het Bosnisch pensioen. Het dossier dat het college aan de Svb heeft verstrekt, bevat geen gegevens waaruit blijkt dat appellant dit heeft gedaan. Het enkele feit dat het dossier van de gemeente twee brieven uit 2000 bevat waaruit kan worden opgemaakt dat appellant was aangesloten bij een Bosnisch pensioenfonds en bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd een pensioen vanuit Bosnië zou (kunnen) gaan ontvangen, brengt niet mee dat appellant in de periode in geding heeft voldaan aan de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting. Reeds omdat in geschil is of appellant in die periode daaraan heeft voldaan, is het, anders dan appellant stelt, niet zo dat het dossier incompleet is vanwege het

- gestelde - ontbreken van bijlagen bij de brief van 18 september 2000. Dat appellant, naar hij ter zitting van de Raad heeft gesteld, tijdens gesprekken met zijn casemanager volledig openheid van zaken over het Bosnisch pensioen heeft gegeven, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. De gestelde openheid van zaken strookt bovendien niet met het feit dat hij bij verschillende gelegenheden een onjuiste opgave van zijn inkomsten heeft gedaan. Zo heeft hij, gevraagd naar zijn inkomsten, op het in 1.7 genoemde formulier geen opgave gedaan van zijn inkomsten uit het Bosnisch pensioen en heeft hij daarvan evenmin opgave gedaan bij de door hem in 2008 ingediende aanvraag om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de beroepsgrond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting in de periode in geding niet heeft geschonden niet slaagt.

4.8.

In aanmerking genomen dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van inkomsten uit het Bosnisch pensioen en dat hij voorts door die inkomsten in de periode in geding tot een te hoog bedrag bijstand heeft ontvangen, was de Svb bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant over die periode te herzien.

4.9.

Appellant voert aan, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5914, dat het aandeel van de Svb in ogenschouw moet worden genomen. Voor zover appellant hiermee heeft willen betogen dat geheel of gedeeltelijk van herziening moet worden afgezien, omdat de Svb van het Bosnisch pensioen op de hoogte was, slaagt dit betoog niet. Daargelaten dat het in de uitspraak van 27 mei 2010 ging om een boete, kan, gelet op 4.5 en 4.6 niet worden gezegd dat hier sprake is van een situatie waarin een eenmalig gedane onjuiste opgave jarenlang onopgemerkt is gebleven.

4.10.

De beroepsgrond dat de Svb ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door appellant verschuldigde transactiekosten over het Bosnisch pensioen, mist feitelijke grondslag en slaagt daarom niet. Uit de in 1.10 genoemde brief en de toelichting die appellant ter zitting van de Raad heeft gegeven over de wijze waarop hij het Bosnisch pensioen ontving, valt op te maken dat transactiekosten zich feitelijk niet voordeden. Dat pensioen werd namelijk, zo begrijpt de Raad uit de door appellant ter zitting gegeven toelichting, gestort op de bankrekening van een derde in Nederland die de bedragen vervolgens contant in euro’s overhandigde aan appellant.

4.11.

Appellant heeft voorts aangevoerd, onder verwijzing naar beleid van het college over vrijlating van bepaalde inkomsten van personen van 57,5 jaar en ouder, dat de Svb een deel van de inkomsten van het Bosnisch pensioen buiten beschouwing had moeten laten.

4.12.

Het beleid van het college waarop appellant doelt, biedt geen grondslag om een deel van de inkomsten uit het Bosnisch pensioen vrij te laten. Dat beleid zag destijds op het gedeeltelijk vrijlaten van de inkomsten uit arbeid van personen van 57,5 jaar en ouder om, zo heeft de vertegenwoordiger ter zitting van de rechtbank toegelicht, ouderen te stimuleren aan het werk te blijven. De inkomsten uit het Bosnisch pensioen kunnen, anders dan appellant heeft betoogd, niet worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid als bedoeld in het beleid van het college, omdat zij kennelijk bedoeld zijn om te voorzien in inkomen nadat een betrokkene zijn werkzaamheden heeft gestaakt in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd.

4.13.

De Raad wijst er echter op, onder aanvulling van de rechtsgronden met toepassing van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat de WWB tevens een vrijlatingsbepaling kent voor particuliere oudedagsvoorzieningen. In artikel 33, vijfde lid, aanhef en onder a, van de WWB, zoals deze bepaling luidde op 1 juli 2004, is immers bepaald dat indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of een van de echtgenoten 65 jaar of ouder is, voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand een in de vorm van een periodieke uitkering ontvangen particuliere oudedagsvoorziening buiten beschouwing wordt gelaten tot een bedrag van:

a. voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder: € 16,75 per kalendermaand.

Het in deze bepaling genoemde bedrag van de vrijlating wordt jaarlijks aangepast. In 2005 bedroeg de vrijlating € 16,90, in 2006 € 17,15, in 2007 € 17,35, in 2008 € 17,60 en in 2009 € 18,05.

4.14.

Aangezien appellant behoort tot de in artikel 33, vijfde lid, van de WWB genoemde leeftijdscategorie en het Bosnisch pensioen een particuliere oudedagsvoorziening is als bedoeld in die bepaling, had de Svb de maandelijkse inkomsten uit dat pensioen moeten vrijlaten met de hiervoor genoemde bedragen. Nu dit niet is gebeurd, is de Svb bij de herziening van de bijstand van onjuiste bedragen uitgegaan. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Terugvordering

4.15.

Uit 4.8 volgt dat de Svb bevoegd was om de teveel betaalde bijstand over de periode in geding met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van appellant terug te vorderen.

4.16.

Wat de uitoefening van de bevoegdheid tot terugvordering betreft, heeft appellant een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie van de Raad. Dit beroep faalt, omdat voor toepassing daarvan in WWB-zaken in beginsel geen plaats is indien, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie. Om dezelfde reden faalt het beroep dat appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 januari 1999, ECLI:NL:CRVB:1999:ZB8153, heeft gedaan op het rechtszekerheidsbeginsel.

4.17.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat in zijn geval sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien, omdat hij over een zeer gering inkomen beschikt en niet beschikt over enig vermogen. Deze beroepsgrond slaagt niet. In de gestelde moeilijke financiële situatie van appellant zijn geen dringende redenen gelegen als bedoeld in het beleid van de Svb. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich immers in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft de betrokkene als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels van de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Conclusie

4.18.

Uit 4.14 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het de omvang van de herziening en de hoogte van het terugvorderingsbedrag betreft. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. In dat verband wordt het volgende overwogen.

4.19.

In beroep heeft de Svb een overzicht overgelegd van de bedragen van het Bosnisch pensioen op maandbasis waarmee de bijstand is herzien. Op deze bedragen, die tussen partijen niet in geschil zijn, dient per maand het in artikel 33, vijfde lid, aanhef en onder a, van de WWB genoemde bedrag in mindering te worden gebracht. Dit betreft een financiële uitwerking die de Raad in dit geval, nu ook netto wordt teruggevorderd, zelf kan maken. Immers, de herzieningsbedragen zijn bekend en ook het per maand daarop in mindering te brengen vrijlatingsbedrag. Uitgaande van de in bedoeld overzicht genoemde bedragen alsmede van de in 4.13 genoemde bedragen en het aantal maanden in de jaren 2004 tot en met 2009, bedraagt de totale vrijlating € 1.145,10. Daarom betreft de herziening en daarop gebaseerde terugvordering een bedrag van in totaal € 13.960,34.

4.20.

In wat is overwogen in 4.19 ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het terugvorderingsbedrag over de periode in geding vast te stellen op € 13.960,34.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 2 januari 2013 voor zover het de

omvang van de herziening en de hoogte van het terugvorderingsbedrag betreft;

- stelt het op de juiste herziening te baseren terugvorderingsbedrag over de periode in geding

vast op € 13.960,34 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het

vernietigde gedeelte van het besluit van 2 januari 2013;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 162,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en

W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

MK