Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:870

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-03-2015
Datum publicatie
25-03-2015
Zaaknummer
14-2703 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Appellant heeft geen duidelijkheid gegeven over de herkomst van gelden en over hoeveel geld hij heeft geleend van derden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2703 WWB

Datum uitspraak: 24 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 april 2014, 12/2147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A.J.M. Niederer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Niederer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.M. Benning-Hellenbrand.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 14 februari 2012 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend, met als gewenste ingangsdatum 20 december 2011. In het kader van deze aanvraag heeft het college een aantal malen stukken bij appellant opgevraagd. Bij brief van 20 maart 2012 heeft het college appellant onder meer verzocht om objectieve en verifieerbare bewijsstukken omtrent kasstortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening. Appellant heeft naar aanleiding daarvan een verklaring ingeleverd met een toelichting op de stortingen en bijschrijvingen. Het college heeft appellant bij brief van 29 maart 2012 meegedeeld dat deze gegevens onvoldoende zijn en nogmaals gevraagd om objectieve en verifieerbare bewijsstukken. In reactie hierop heeft appellant onder meer enkele schriftelijke verklaringen van derden overgelegd. Vervolgens heeft het college appellant uitgenodigd voor een gesprek op 23 april 2012, waar appellant is verschenen. Op 25 april 2012 is het gesprek voortgezet en afgerond. De gesprekken zijn in het bijzijn van een tolk gevoerd door twee sociaal rechercheurs. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

8 mei 2012.

1.2.

Bij besluit van 11 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen duidelijkheid heeft gegeven over de herkomst van gelden en over hoeveel geld hij heeft geleend van derden. Appellant heeft niet van alle stortingen en bijschrijvingen objectieve en verifieerbare bewijsstukken ingeleverd, ook is er een aantal openstaande bedragen waarvoor appellant geen verklaring heeft gegeven. Uit de ingeleverde stukken en de afgelegde verklaringen komen tegenstrijdigheden naar voren. Het recht op bijstand is daarom niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat van de verklaringen die appellant tegenover de sociaal rechercheurs heeft afgelegd, mag worden uitgegaan. Van ontoelaatbare druk is niet gebleken. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. De herkomst van bedragen is veelal onduidelijk, er zijn tegenstrijdige verklaringen overgelegd en/of de verklaringen stroken niet met de stortingen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting door de stukken waar het college om heeft gevraagd te verstrekken en mee te werken aan de gesprekken met de sociale recherche. De gesprekken met de sociale recherche waren langdurig en intimiderend van karakter. Deze verhoren kunnen niet dienen als bewijs dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan. Voor zover ondanks de door appellant ingediende stukken de herkomst van bedragen nog onduidelijk was, lag het op de weg van het college om nader onderzoek te doen. Het totaal van de door appellant ontvangen bedragen beloopt niet meer dan de bijstandsnorm, zodat zijn recht op bijstand had kunnen worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.3.

Niet in geschil is dat op de bankrekening van appellant in de maanden november 2011 tot en met februari 2012 een groot aantal stortingen en bijschrijvingen heeft plaatsgevonden. Hier zijn grote bedragen bij, zoals een storting van € 630,- op 25 november 2011, € 365,- op

20 december 2011, € 390,- op 10 januari 2012, € 470,- op 31 januari 2012, € 275,- op

6 februari 2012 en een bijschrijving van € 750,- op 25 januari 2012. Het totaalbedrag aan stortingen beliep in november 2011 € 915,-, in december 2011 € 1.310,-, in januari 2012

€ 2.645,- en in februari 2012 € 475,-. Dit roept vragen op over de door appellant gestelde bijstandbehoevendheid.

4.4.

Gelet op de onder 4.1 weergegeven bewijslastverdeling is het aan appellant om aan de hand van controleerbare en verifieerbare informatie duidelijkheid te verschaffen over de herkomst van de bedragen. Zoals is geconstateerd in het rapport van 8 mei 2012, heeft appellant dit nagelaten. De inhoud van de door hem afgelegde verklaringen heeft appellant niet betwist. Hij heeft wisselende verklaringen afgelegd over de herkomst van stortingen, die niet steeds stroken met de door hem ingeleverde verklaringen van derden. Voor enkele stortingen heeft appellant geen verklaring gegeven. Of de sociale recherche ontoelaatbare druk heeft uitgeoefend, zoals appellant heeft aangevoerd, kan onbesproken blijven. Ook indien hetgeen appellant ten overstaan van de sociale recherche heeft verklaard buiten beschouwing wordt gelaten, heeft appellant over de stortingen en bijschrijvingen tot op heden onvoldoende duidelijkheid gegeven. Het lag onder die omstandigheden niet op de weg van het college om nader onderzoek te doen. Nu het gaat om substantiële bedragen in verhouding tot de hoogte van de aangevraagde bijstand en het, gelet op de onduidelijke financiële situatie, niet uitgesloten is dat appellant over meer contant geld beschikte dan blijkt uit de stortingen, is de conclusie gerechtvaardigd dat het recht op bijstand van appellant in de in geding zijnde periode niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Gelet hierop is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat het verzoek om het college te veroordelen tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.C.R. Schut en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) De griffier is buiten staat te ondertekenen

RH