Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-03-2015
Datum publicatie
19-03-2015
Zaaknummer
13-5745 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:7773, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor de kosten van de inrichting van de nieuwe woning. Volgens vaste rechtspraak worden de kosten van woninginrichting, zo die noodzakelijk zijn, tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend, die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5745 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 oktober 2013, 13/1065 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.M. Vélu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 3 februari 2015. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt met ingang van 1 juli 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Op 8 november 2012 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de inrichting van zijn nieuwe woning. Bij besluit van 17 december 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 11 februari 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 december 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de kosten voor woninginrichting behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, dat deze kosten moeten worden betaald uit het inkomen, dat de noodzaak om te verhuizen niet aannemelijk is gemaakt en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om van deze regel af te wijken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het vaste rechtspraak is dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Niet in geschil is dat de kosten van de woninginrichting vanwege de verhuizing van appellant zich voordoen. Wel in geschil is of die kosten noodzakelijk zijn. De rechtbank stelt voorop dat het aan appellant als aanvrager van bijzondere bijstand is om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van bijstand als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De rechtbank is van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Hij heeft niet met bewijsstukken nader onderbouwd dat zijn oude woning niet voldeed. Ook heeft hij geen urgentieverklaring overgelegd. Het is de eigen keuze geweest van appellant om de nieuwe woning te accepteren en te verhuizen. De omstandigheid dat aan appellant een andere woning is aangeboden, maakt nog niet dat de verhuizing noodzakelijk is. Volgens vaste rechtspraak worden de kosten van woninginrichting, zo die noodzakelijk zijn, tot de periodiek dan wel incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend, die in beginsel dienen te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Het hebben van schulden of het ontbreken van voldoende reserveringsruimte is, naar het oordeel van de rechtbank, niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen omdat dit door appellant niet nader is onderbouwd.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij - kort samengevat - aangevoerd dat het voor hem noodzakelijk was om te verhuizen en dat hij niet in staat was om voor de gevraagde kosten te reserveren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de in beroep aangevoerde gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van

M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

17 maart 2015.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD