Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:79

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
14-1311 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft terecht aan betrokkene bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm. Betrokkene moet aangemerkt worden als een alleenstaande in wiens woning een of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. Met een woning is een zelfstandige woning bedoeld, namelijk een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18
Wet werk en bijstand 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/86
USZ 2015/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1311 WWB

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 januari 2014, 13/506 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Bethlehem. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door haar moeder.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Betrokkene heeft op 1 maart 2013 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 18 maart 2013 heeft appellant de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 10 juni 2013 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 maart 2013 gegrond verklaard, de aanvraag alsnog in behandeling genomen en deze aanvraag om bijstand afgewezen. Bij besluit van

21 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft appellant, voor zover hier van belang, het besluit van 10 juni 2013 gewijzigd in die zin dat aan betrokkene met ingang van 1 maart 2013 bijstand wordt toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat betrokkene met ingang van 1 maart 2013 in aanmerking komt voor bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% van de gehuwdennorm.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover het betreft de hoogte van de toegekende toeslag. Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat betrokkene een zelfstandige woning heeft met een eigen toegang, waar geen wezenlijke woonfuncties worden gedeeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de WWB verhoogt het college de norm voor een alleenstaande of een alleenstaande ouder met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

4.2.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 30, eerste lid, van de WWB stelt de gemeenteraad vast voor welke categorieën de norm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die verhoging of verlaging wordt bepaald.

4.3.

In artikel 2, eerste lid, van de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Emmen 2013 (Verordening) is bepaald dat de toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de WWB 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande van 21 jaar en ouder en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. In het tweede lid is bepaald dat de toeslag 10 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning een of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. In de toelichting is erop gewezen dat de wetgever bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is uitgegaan van de veronderstelling dat betrokkene de bestaanskosten geheel met een ander kan delen. In het geval de belanghebbende aannemelijk kan maken dat de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet kunnen worden gedeeld, wordt de basisnorm verhoogd met een toeslag. De mate waarin de algemeen noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden gedeeld, zijn bepalend voor de hoogte van de toeslag.

4.4.

Het begrip woning is in de Verordening niet gedefinieerd. De wettelijke grondslag voor de Verordening berust op de WWB. Daarom hebben appellant en de rechtbank bij de uitleg van het begrip woning in de Verordening terecht aansluiting gezocht bij de invulling van het begrip woning in de WWB. Aanknopingspunten voor een andere uitleg van het begrip woning in de Verordening zijn immers niet voorhanden.

4.5.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX8470) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de WWB dat met een woning in die wet overeenkomstig de voorheen geldende Huursubsidiewet een zelfstandige woning is bedoeld, namelijk een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen wezenlijke woonfuncties zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Eigen toegang houdt in dat men de woonruimte kan bereiken zonder daarbij vertrekken of gangen te hoeven passeren waarover anderen zeggenschap hebben, omdat zij huurder of eigenaar zijn

(Kamerstukken II 2002-2003, 28 870, nr. 3, blz. 33).

4.6.

Ter zitting heeft betrokkene een toelichting gegeven op de tekening die zij heeft overgelegd van de indeling van het huis waar zij samen met haar moeder woont. Het huis beschikt over één toegangsdeur met daarachter gelegen een hal en een trap. Via de hal zijn de woonkamer, de eetkamer en de keuken te bereiken, welke ruimtes zowel door betrokkene als door haar moeder worden gebruikt. Ditzelfde geldt voor de op de begane grond gelegen toilet en de stallingsruimte. Daarnaast maken beiden gebruik van de tuin, het terras en de veranda. Op de eerste verdieping bevinden zich enkele ruimtes die exclusief worden gebruikt door betrokkene of haar moeder. Zo beschikt betrokkene op die verdieping over een

woon-/slaapkamer en een werkkamer en haar moeder over een atelier en een slaapkamer. De zolderverdieping, die is ingedeeld in twee kamers waar tevens een wasmachine staat, wordt door beiden gebruikt.

4.7.

Gelet op de onder 4.6 geschetste situatie kan de woonruimte van betrokkene niet worden aangemerkt als zelfstandige woning. De woonruimte van betrokkene ontbeert een eigen toegang, alsmede een wezenlijke woonfunctie, namelijk een keuken. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat zij van de keuken op de begane grond gebruik maakt om te koken. De zogenoemde pantry, die zich in haar woonruimte bevindt, gebruikt zij slechts incidenteel om koffie en thee te zetten. Afgezien van de privé-ruimtes op de tweede verdieping, kunnen betrokkene en haar moeder vrijelijk gebruik maken van de gehele woning. Daarbij komt dat betrokkene haar privé-ruimtes slechts kan bereiken via de enkele toegangsdeur van het huis en de gemeenschappelijke hal en trap. Dit brengt mee dat voor toepassing van de Verordening het gehele huis als één woning moet worden aangemerkt. Appellant heeft betrokkene dan ook terecht aangemerkt als een alleenstaande in wiens woning een of meer anderen hun hoofdverblijf hebben.

4.8.

Wat onder 4.7 is overwogen betekent dat appellant terecht met ingang van 1 maart 2013 aan betrokkene bijstand heeft toegekend naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% van de gehuwdennorm.

4.9.

Gelet op 4.1 tot en met 4.8 moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden vernietigd. Het beroep van betrokkene tegen het besluit van 21 augustus 2013 dient, voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de toeslag, ongegrond te worden verklaard.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2013, voor zover dit betrekking heeft

op de hoogte van de toeslag, ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) O.P.L. Hovens

HD