Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:76

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
22-01-2015
Zaaknummer
12-4789 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening inkomensvoorziening. Verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand. De door de grootouders gestorte bedragen, waarover appellant vrijelijk kon beschikken, heeft het college terecht aangemerkt als in aanmerking te nemen inkomsten in de maanden waarin de betalingen hebben plaatsgevonden. Schending van de inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 31
Participatiewet 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/92 met annotatie van Red.

Uitspraak

12/4789 WIJ

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2012, 12/3044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.M. de Roo, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Voor appellant is

mr. De Roo verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 1 december 2011 heeft het college aan appellant, geboren [in] 1989, met ingang van 4 november 2011 een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Met ingang van 1 januari 2012 heeft het college de inkomensvoorziening omgezet naar bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), eveneens naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 15 februari 2012 heeft het college een rapport van bevindingen opgesteld op basis van een onderzoek naar de middelen en de woon- en leefsituatie van appellant. Gebleken is dat appellant gedurende de periode van 8 november 2011 tot en met 13 februari 2012 regelmatig geldbedragen heeft ontvangen van zijn grootouders, in totaal € 1.155,-. Appellant heeft hiervan een bedrag van € 590,- aan hen terugbetaald. Het college heeft geconcludeerd dat appellant gedurende deze periode van vier maanden een bedrag van € 565,- aan giften heeft ontvangen, wat neerkomt op een gemiddeld bedrag van € 141,25 per maand.

1.3.

Uit de uitkeringsspecificatie van 27 maart 2012 blijkt dat het college een bedrag van

€ 141,25 en een bedrag van € 268,38 heeft ingehouden op de bijstand van appellant over de maand maart 2012.

1.4.

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het college, voor zover van belang, de WIJ-uitkering van appellant over de maanden november en december 2011 herzien op de grond dat hij gedurende deze maanden een te hoog bedrag aan inkomensvoorziening heeft ontvangen. Voorts heeft het college de teveel betaalde uitkering ter hoogte van € 254,95 van appellant teruggevorderd, waarbij tevens een besluit is genomen over de wijze waarop dat bedrag wordt ingevorderd.

1.5.

Bij besluit van 24 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de uitkeringsspecificatie van 27 maart 2012 en het besluit van 11 april 2012 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de betalingen van de grootouders van appellant als giften zijn aan te merken, die niet vrijgelaten moeten worden. Ter toelichting van de uitkeringsspecificatie heeft het college meegedeeld de door appellant over de maanden januari en februari 2012 ontvangen giften in één keer tot een bedrag van

€ 268,38 te hebben verrekend met de bijstand over de maand maart. Daarnaast heeft het college in maart 2012 voor de eerste keer een vaste korting op de bijstand van € 141,25 per maand doorgevoerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij de structurele korting van € 141,25 in de uitkeringsspecificatie van

27 maart 2012 is gehandhaafd. Het college heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat in het verleden gedane giften zich ook in de toekomst zullen voortzetten. Alleen giften die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, dan wel zullen gaan plaatsvinden, mogen worden verrekend.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij als primaire beroepsgrond aangevoerd dat de bedragen die hij van zijn grootouders heeft ontvangen ten onrechte als giften zijn aangemerkt. Volgens appellant gaat het om leningen. Appellant heeft na de beëindiging van zijn studiefinanciering in september 2011 ruim twee maanden geen enkel inkomen genoten. De met ingang van 4 november 2011 toegekende inkomensvoorziening werd pas in december 2011 voor het eerst betaald. Appellant kon daardoor zijn vaste lasten niet betalen en had geen geld voor voeding en kleding. De grootouders van appellant beheren al jaren zijn betaalrekening omdat hij daar zelf, vanwege zijn ADHD, nog wat moeite mee heeft. De grootouders schoten geld voor door dit naar zijn rekening over te maken en haalden dit terug indien er weer geld op de rekening stond onder voorwaarde dat het restant zou worden terugbetaald in maandelijkse termijnen. Onder die twee maanden was een financieel gat ontstaan, dat pas in maart 2012 weer was gedicht. Nu geen sprake is van giften, betekent dit dat ten onrechte is overgegaan tot verrekening en terugvordering.

3.2.

Voorts heeft appellant als subsidiaire beroepsgrond aangevoerd dat artikel 58, derde lid, van de WWB, waarin is bepaald dat het college bevoegd is tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand een discretionaire bevoegdheid is. Het college had volgens hem rekening moeten houden met het feit dat de geldlening een overbrugging is voor de maanden dat hij geen inkomen had. Onder die omstandigheden kan het college in redelijkheid geen gebruik maken van de bevoegdheid tot verrekening. Door de verrekening wordt het juist met moeite bereikte financiële evenwicht volledig onderuit gehaald.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op 1 januari 2012 is in werking getreden de wet van 22 december 2011 tot wijziging van de WWB en samenvoeging van die wet met de WIJ (Wijzigingswet WWB en WIJ, Stb. 2011, 650). Ingevolge artikel II van de wijzigingswet WWB en WIJ is de WIJ ingetrokken. Ingevolge artikel 78t, eerste lid, van de WWB, zoals deze bepaling luidt sinds 1 januari 2012, gelden door het college op grond van de WIJ genomen besluiten als door hem genomen op grond van de WWB. Uit het ontbreken van nadere bepalingen van overgangsrecht voor de situatie dat het primaire besluit op of na 1 januari 2012 wordt genomen, maar betrekking heeft op een ingevolge de WIJ toegekende uitkering, volgt dat de wijziging van de WWB onmiddellijke werking heeft. Dit betekent dat het college de intrekking en terugvordering van de inkomensvoorziening ingevolge de WIJ terecht heeft gebaseerd op de

artikelen 54 en 58 van de WWB. Hantering van deze bepalingen zou in strijd kunnen komen met de rechtszekerheid indien dit tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was. Vergelijk de uitspraak van de Raad van

21 april 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358) bij de overgang van de Algemene bijstandswet naar de WWB. Van een ongunstiger resultaat is hier echter geen sprake, omdat de artikelen 40 en 54 van de WIJ overeenkomen met respectievelijk de artikelen 54 en 58 van de WWB. Bij de beantwoording van de vervolgens aan de orde komende vraag hoe de in de artikelen 54 en 58 van de WWB neergelegde bevoegdheden worden gehanteerd, komt betekenis toe aan de zogenoemde temporele werking van wetgeving, waarin de rechten en verplichtingen van een belanghebbende centraal staan en die eveneens haar grondslag vindt in de rechtszekerheid. Dit betekent dat de rechten en verplichtingen van een belanghebbende in beginsel worden beoordeeld naar de wetgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop de rechten en verplichtingen betrekking hebben.

Omdat artikel 7 van de WIJ voor de definitie van de begrippen middelen en inkomen verwijst naar de artikelen 31 en 32 van de WWB leidt de materiële toepassing van de WIJ in dit geval niet tot een andere uitkomst. Dit geldt evenzeer voor de inlichtingenverplichting die zowel in artikel 44, eerste lid, van de WIJ als in artikel 17, eerste lid, van de WWB is opgenomen.

4.2.

Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Dit betekent dat de structurele maandelijkse korting van € 141,25 is komen te vervallen. In geschil is alleen de herziening, de terugvordering en de verrekening die verband houden met de door de grootouders in de periode van 8 november 2011 tot en met 13 februari 2012 feitelijk betaalde bedragen.

4.3.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, worden tot de middelen gerekend alle inkomens- en vermogensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bepaalde, daar genoemde, inkomens- en vermogensbestanddelen niet tot de middelen worden gerekend. Hieronder vallen giften voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

4.4.

Volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB wordt, voor zover hier van belang, onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

4.5.

In artikel 36, eerste lid, van de WIJ is bepaald dat de inkomensvoorziening het verschil is tussen het inkomen en de inkomensvoorzieningsnorm. In artikel 19, tweede lid, van de WWB is bepaald dat de hoogte van de algemene bijstand het verschil is tussen het inkomen en de bijstandsnorm.

4.6.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB (oud) kan het college een eerder genomen toekenningsbesluit herzien als het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.7.

Bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger worden in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen niet als verantwoorde giften in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB kunnen worden aangemerkt, een periodiek karakter hebben en kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak van de Raad als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138; van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106 en van

4 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:705). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel, niet van belang. Dat kan anders zijn in het geval dat degene die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen (uitspraak van 3 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1927).

4.8.

Uit wat hiervoor onder 4.7 is overwogen volgt dat de bedragen die appellant van zijn grootouders heeft ontvangen in beginsel als inkomsten in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB in aanmerking moeten worden genomen en dat het daarbij niet uitmaakt of sprake is van giften of van leningen. Dat kan alleen anders zijn in de periode dat appellant in afwachting was van het besluit op zijn aanvraag om een inkomensvoorziening op grond van de WIJ omdat hij toen niet over andere inkomsten beschikte. Dit betreft de periode van

4 november 2011 tot en met 1 december 2012. Uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften blijkt namelijk dat appellant op 2 december 2012 de inkomensvoorziening over de maand november 2012 heeft ontvangen. Appellant heeft over de maand september nog studiefinanciering ontvangen. Dat hij in de maand oktober 2012 geen inkomsten had is te wijten aan het feit dat hij zich pas op 4 november 2012 heeft gemeld voor het aanvragen van een inkomensvoorziening, wat zijn eigen verantwoordelijkheid is.

4.9.

Het gaat daarom in het bijzonder om de vraag of het college de door appellant van zijn grootouders ontvangen bedragen in de periode van 4 november tot en met 1 december 2011 terecht als giften in plaats van als leningen heeft aangemerkt. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant een verklaring voorgelezen van de oma van appellant, inhoudend dat zij aan haar kleinzoon leningen heeft verstrekt zodat hij zijn vaste lasten kon betalen. De overeenkomsten van geldlening werden maandelijks vastgelegd in het huishoudboekje. Volgens deze overeenkomsten moesten de leningen vanaf 1 april 2012 met € 50,- per maand worden terugbetaald. Doordat het college op de bijstand die in maart 2012 werd uitbetaald een korting toepaste, lukte het echter pas om vanaf mei 2012 te beginnen met terugbetalen. Inmiddels zijn de leningen terugbetaald. Bewijzen hiervan in de vorm van bankafschriften zijn in hoger beroep ingezonden.

4.10.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6792) is een schuld aan een familielid veelal een schuld van vrijblijvende aard. Een belanghebbende heeft echter de mogelijkheid aannemelijk te maken dat sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Dit dient te geschieden met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn. De door appellant ingezonden overeenkomsten zijn weliswaar concreet maar voldoen niet aan de eis dat deze objectief en verifieerbaar zijn. De overeenkomsten zijn niet gedateerd zodat daaruit niet blijkt op welk moment zij zijn opgesteld. Dat appellant blijkens de in hoger beroep ingezonden bankafschriften vanaf mei 2012 maandelijks een bedrag van € 50,- aan zijn oma heeft overgemaakt leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant blijkens het verslag van zijn gesprek met de handhavingsspecialist van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) op 15 februari 2012 heeft meegedeeld dat zijn oma hem regelmatig geld geeft, terwijl in die verklaring niet tot uiting komt dat sprake was van leningen. Dit blijkt evenmin uit de notitie die is gemaakt van een op 21 februari 2012 met de oma van appellant gevoerd telefoongesprek. Volgens die notitie belde de oma met de DWI om mee te delen dat zij de afgelopen tijd haar kleinzoon financieel had bijgestaan om zijn ziektekostenverzekering te kunnen betalen en voor de boodschappen. Verder verklaarde zij dat haar kleinzoon niet bij haar woonde en dat zij zich er niet van bewust was dat het problemen met zich mee zou brengen voor hem als hij geld op zijn rekening gestort kreeg. Uit die verklaring blijkt niet dat het daarbij ging om leningen. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van leningen met een concrete terugbetalingsverplichting.

4.11.

Uit 4.8 tot en met 4.10 volgt dat het college de door de grootouders gestorte bedragen, waarover appellant vrijelijk kon beschikken, terecht heeft aangemerkt als in aanmerking te nemen inkomsten in de maanden waarin de betalingen hebben plaatsgevonden.

4.12.

Door van de ontvangst van deze bedragen geen melding te maken bij het college heeft appellant de op hem rustende inlichtingverplichting als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WIJ en 17, eerste lid, van de WWB geschonden. Het had hem immers redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat deze betalingen van invloed konden zijn op het recht op inkomensvoorziening en bijstand. Het college was dan ook bevoegd de inkomensvoorziening met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB (oud) te herzien. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college in redelijkheid geen gebruik zou kunnen maken van zijn herzieningsbevoegdheid. Ditzelfde geldt voor de terugvordering van de ten onrechte betaalde inkomensvoorziening op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB (oud).

4.13.

Ingevolge artikel 58, derde lid, van de WWB (oud) is het college bevoegd tot verrekening van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen met de algemene bijstand. Dit betekent dat het college de bedragen die appellant in de maanden januari en februari 2012 van zijn grootouders heeft ontvangen mocht verrekenen met de bijstand over maart 2012. In het licht van de schending van de inlichtingenverplichting kon het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik maken. Dat de bijstand van appellant in maart 2012 door de verrekening ver onder de voor hem geldende norm is uitgekomen maakt dat niet anders. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3757) zijn bij een dergelijke verrekening de regels over de beslagvrije voet niet van toepassing.

4.14.

Uit 4.1 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van T. A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2015.

(getekend) J.C.F. Talman

De griffier is buiten staat te ondertekenen

ew