Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
13-3710 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag met een proeftijd van twee jaar wegens ernstig plichtsverzuim. Overplaatsing. De straf die vanwege (het) plichtsverzuim is opgelegd, te weten voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, bleek, zo staat in rechte vast, wel te kwalificeren als onrechtmatig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft deze straf ongedaan gemaakt door in het nieuwe besluit van 1 juni 2010 alsnog te volstaan met een schriftelijke berisping en het herroepen van de overplaatsing. De overplaatsing als zodanig kon niet meer ongedaan worden gemaakt, omdat appellant inmiddels per 1 juli 2009 ontslag op eigen verzoek was verleend. Niet is onderbouwd dat de minister er actief voor heeft gezorgd dat appellant ontslag op eigen verzoek heeft ingediend, dan wel dat sprake was van dusdanige dwang dat appellant niet anders kon dan ontslag nemen. Geen schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3710 AW

Datum uitspraak: 12 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

4 juni 2013, 12/4188 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/3717 AW en 13/3719 AW, plaatsgevonden op 15 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Hoop. Tevens zijn verschenen De W en Van Z. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Koene, D. Stoffels en J. Huizer.


Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als [naam functie A.] bij de [naam P.I. A].

Op 11 december 2005 hebben collega’s van appellant een cel van een gedetineerde leeggeruimd, waarna kleding van de gedetineerde vernield bleek te zijn. Appellant heeft gezien dat één van zijn collega’s kleding van de gedetineerde heeft vernield. Appellant heeft hiervan geen melding gedaan. Naar aanleiding van een klacht van de gedetineerde is een nader onderzoek ingesteld door het Bureau Integriteit en Veiligheid (BIV) van de Dienst Justitiële Inrichtingen.

1.2.

Op 29 mei 2007 is appellant de toegang tot de [naam P.I. A] ontzegd, waarbij appellant naar buiten is begeleid en hij zijn toegangspas heeft moeten inleveren. Bij besluit van

11 februari 2008 heeft de minister appellant voorwaardelijk strafontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar wegens ernstig plichtsverzuim. Appellant werd verweten dat hij niet heeft ingegrepen toen de kleding werd vernield en de werkelijke toedracht van het incident heeft verzwegen. Ook is in dit besluit bepaald dat de ontzegging van de toegang niet wordt opgeheven. Bij besluit van 9 juni 2008 is appellant overgeplaatst naar de [naam P.I. B]. Appellant heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 oktober 2008 heeft de minister het besluit van 11 februari 2008 deels herroepen, in die zin dat de proeftijd van twee jaar en drie maanden wordt teruggebracht naar één jaar en drie maanden. Het overplaatsingsbesluit van 9 juni 2008 is hierbij gehandhaafd. Appellant heeft vervolgens beroep ingesteld.

1.3.

Appellant is met ingang van 1 juli 2009 ontslag op eigen verzoek verleend.

1.4.

Bij uitspraak van 12 april 2010 (08/4049) heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch beslist op het beroep van appellant. Geoordeeld is dat wat betreft het niet ingrijpen door appellant de beslissing op bezwaar door de minister onvoldoende is gemotiveerd. Ten aanzien van het niet direct melden van het kledingincident is overwogen dat de minister op juiste gronden heeft aangenomen dat sprake is van ernstig plichtsverzuim en dat de verweten gedragingen aan appellant kunnen worden toegerekend, zodat de minister bevoegd was appellant disciplinair te straffen. Het beroep van appellant is vervolgens gegrond verklaard, waarbij is overwogen dat het in strijd met de evenredigheid zou zijn als appellant een zwaardere straf zou krijgen dan zijn collega’s. De minister is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Wat betreft de ontzegging van de toegang per 29 mei 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze in stand kon blijven. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.5.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de minister in een nieuw besluit op bezwaar van

1 juni 2010 aan appellant een schriftelijke berisping opgelegd wegens ernstig plichtsverzuim. Daarbij is tevens het besluit tot overplaatsing van 9 juni 2008 herroepen en wordt de ontzegging van de toegang niet langer gehandhaafd. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.6.

Bij brief van 8 februari 2011 heeft appellant verzocht om vergoeding van door hem geleden materiële en immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen en onrechtmatige besluitvorming. Appellant heeft verzocht om een vergoeding van verlies van inkomsten tijdens dienstverband en na beëindiging dienstverband van in totaal

€ 258.099,- en vergoeding van medische kosten ten bedrage van € 300,-. Daarnaast heeft appellant verzocht om € 50.000,- aan immateriële schadevergoeding.

1.7.

Bij besluit van 16 januari 2012, aangevuld bij besluiten van
20 januari 2012 en 6 februari 2012, heeft de minister aan appellant de door de overplaatsing gemiste EBI-toelage en consignatievergoeding vergoed inclusief wettelijke rente. Voor het overige is het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de minister aansprakelijk is voor de door hem geleden schade, ten gevolge van onrechtmatig handelen en onrechtmatige besluitvorming in het disciplinaire traject.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant stelt schade te hebben geleden, omdat de minister naar zijn mening buitenproportioneel heeft opgetreden in het disciplinaire traject. Appellant is onder begeleiding uit de [naam P.I. A] verwijderd, in het zicht van zijn collega’s, waarna hem de toegang is ontzegd. Appellant is ten onrechte overgeplaatst naar [naam P.I. B], waar iedereen op de hoogte was van het gebeurde en waardoor hij niet goed kon functioneren. Daarbij stak het appellant dat collega Van B alleen een schriftelijke berisping heeft gekregen, terwijl er voor hem verder geen gevolgen waren.

4.2.

Anders dan appellant stelt kan het optreden van de minister worden gezien als een gerechtvaardigde reactie op het handelen van betrokkene. In het kader van het BIV-onderzoek heeft appellant op 14 december 2006, 11 januari 2007 en 29 maart 2007 verklaringen afgelegd over het kledingincident. Hieruit bleek dat appellant gezien had dan één van zijn collega’s kleding van een gedetineerde heeft vernield en dat appellant dit vervolgens niet direct heeft gemeld. Uit de in rechte vaststaande uitspraak van 12 april 2010 volgt niet dat de ontzegging van de toegang op 29 mei 2007 onrechtmatig was. Niet is gebleken dat de minister bij deze toegangsontzegging onnodig diffamerend is opgetreden. Dat iemand naar buiten wordt begeleid en zijn toegangspas moet inleveren, is een normale gang van zaken in een dergelijke situatie. Dat de minister het BIV-onderzoek heeft laten doen kan evenmin als onrechtmatig of onnodig diffamerend worden aangemerkt. Naar aanleiding van dit onderzoek is appellant verweten hij de werkelijke toedracht van het incident op 11 december 2005 lange tijd heeft verzwegen. Vaststaat dat dit op juiste gronden is aangemerkt als plichtsverzuim, op grond waarvan de minister bevoegd was appellant disciplinair te straffen.

4.3.

De straf die vanwege dit plichtsverzuim is opgelegd, te weten voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, bleek, zo staat in rechte vast, wel te kwalificeren als onrechtmatig wegens schending van het evenredigheidsbeginsel. De minister heeft deze straf ongedaan gemaakt door in het nieuwe besluit van 1 juni 2010 alsnog te volstaan met een schriftelijke berisping en het herroepen van de overplaatsing. De overplaatsing als zodanig kon niet meer ongedaan worden gemaakt, omdat appellant inmiddels per 1 juli 2009 ontslag op eigen verzoek was verleend. Niet is onderbouwd dat de minister er actief voor heeft gezorgd dat appellant ontslag op eigen verzoek heeft ingediend, dan wel dat sprake was van dusdanige dwang dat appellant niet anders kon dan ontslag nemen.

4.4.

Geconcludeerd wordt dat hetgeen volgens appellant schadeveroorzakend is geweest, te weten beschuldigingen aan zijn adres, het verwijderen uit de [naam P.I. A], de toegangsontzegging in mei 2007 en de omstandigheid dat hij door collega’s werd aangekeken op hetgeen gebeurd was, niet het gevolg is van de onrechtmatige besluiten tot opleggen van voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing, maar het gevolg van wat hiervoor is gebeurd. Evenmin is gebleken dat de minister onzorgvuldig onderzoek zou hebben verricht of onjuiste mededelingen zou hebben gedaan over appellant. Wat schadeveroorzakend is geweest hangt samen met het handelen van appellant, dat nu juist terecht is aangemerkt als plichtsverzuim, alsmede de legitieme reactie daarop van de minister.

4.5.

Over de gestelde inkomensschade wordt overwogen dat appellant de misgelopen EBI-toelage en consignatievergoeding wegens de ten onterechte opgelegde overplaatsing reeds vergoed heeft gekregen, inclusief wettelijke rente. De overig gestelde inkomensschade komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft op juiste gronden overwogen dat, nu sprake is van een ontslag op eigen verzoek, de omstandigheid dat hij in de periode van 1 juli 2009 tot 1 september 2010 geen inkomen had, niet op verweerder kan worden afgewenteld. De inkomensschade na de beëindiging van het dienstverband wegens aanvaarding van een andere werkkring waaraan een lager salaris is verbonden komt op grond van vaste rechtspraak (CRvB 30 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3749) eveneens voor eigen risico.

4.6.

Wat betreft de medische kosten die appellant heeft opgevoerd wegens psychische behandeling is niet onderbouwd dat sprake is van causaal verband tussen deze behandeling en het ten onrechte opleggen van een voorwaardelijk strafontslag en de overplaatsing. Uit de overgelegde medische verklaring van drs. H.H.M. Nelissen (Nelissen), GZ-psycholoog, over de periode van juni 2008 tot november 2009 blijkt dat appellant beschadigd was door onterechte beschuldigingen en onterechte verwijdering van het werk. Echter, nu vaststaat dat sprake was plichtsverzuim terwijl de minister bevoegd appellant hiervoor disciplinair te straffen en de toegangsontzegging evenmin onrechtmatig was, kan niet worden volgehouden dat de medische behandeling voortvloeide uit een onrechtmatig besluit of handelen van de minister.

4.7.

Appellant heeft tenslotte niet aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van de besluiten tot oplegging van voorwaardelijk strafontslag en overplaatsing sprake is geweest van als aantasting van de persoon aan te merken geestelijk letsel waaraan appellant aanspraak op vergoeding van immateriële schade kan ontlenen. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 30 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR1216) is daarvoor onvoldoende dat - zoals in dit geval - sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig besluit. De overgelegde verklaring van Nelissen leidt niet tot een ander oordeel.

4.8.

Op grond van wat onder 4.2 tot en met 4.7 is overwogen treft het hoger beroep geen doel. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en K.J. Kraan en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

MK