Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-03-2015
Datum publicatie
18-03-2015
Zaaknummer
13-5693 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijzondere bijstand. Terugvorderen. Schending inlichtingenverplichting. Verblijf vriendin in woning. Noodzaak.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 35
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5693 WWB

Datum uitspraak: 10 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 19 september 2013, 13/1292 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R. van der Pol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2015. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door S.E. de Jong.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 22 mei 2012 heeft het college bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend aan appellant voor de kosten van de vaste lasten voor zijn woning op de [adres 2] tijdens zijn detentie. Het gaat hierbij om de huur van de woning over de periode van 1 maart 2012 tot 24 juli 2012 en de kosten van het vastrecht van gas, elektra en water over de periode van 24 januari 2012 tot 24 juli 2012. De draagkracht van appellant wordt door het college vastgesteld op nihil.

1.2.

Naar aanleiding van een tip dat appellant gedetineerd is en zijn vriendin, [naam vriendin] (H), in zijn woning verblijft, heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijzondere bijstand. In het kader van dat onderzoek hebben twee handhavingsmedewerkers op 26 september 2012 een huisbezoek gebracht aan de woning van appellant. Zij troffen daar H aan. H heeft verklaard dat zij vanaf 1 februari 2011 met appellant heeft samengewoond op het adres [adres 1]. Vervolgens hebben zij beiden een postadres gehad en staat appellant vanaf 19 november 2011 ingeschreven op het adres [adres 2]. Vanaf die datum woont ook zij op dit adres. Vanaf 3 augustus 2012 huurt zij een woning op de [adres 3]. Op de datum van het huisbezoek verbleef zij nog in de woning van appellant, omdat haar eigen woning nog niet klaar was en zij de twee honden van appellant verzorgde tijdens zijn detentie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 5 oktober 2012.

1.3.

Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college de bij besluit van 22 mei 2012 toegekende bijzondere bijstand ingetrokken en de over de periode van 24 januari 2012 tot en met 23 juli 2012 gemaakte kosten van bijzondere bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 1.044,26. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat hij niet heeft doorgegeven dat H in zijn woning verbleef gedurende de periode dat hij bijzondere bijstand ontving. H had de vaste lasten moeten en kunnen voldoen, zodat er geen noodzaak was tot het verstrekken van bijzondere bijstand.

1.4.

Bij besluit van 20 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden. H heeft in de woning van appellant verbleven van 24 januari 2012 tot

24 juli 2012 en appellant kan hiervoor verantwoordelijk worden gehouden. Dat een persoon verblijf houdt in zijn woning, is een omstandigheid die valt binnen de risicosfeer van appellant. Het verblijf van H betreft een omstandigheid die van belang is voor de verleende bijzondere bijstand.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant bestrijdt, kort gezegd, dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichtingen heeft geschonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.2.

Appellant ontkent bij gebrek aan wetenschap dat H permanent in zijn woning verbleef. Indien dat al het geval was, zag zij dat kennelijk als een tijdelijke noodoplossing. Appellant was daarmee onbekend en ging ervan uit dat H in haar eigen woning verbleef en af en toe in zijn woning aanwezig was om op zijn honden te passen of deze uit te laten. De relatie met H was beëindigd en appellant onderhield een andere relatie.

4.3.

Gelet op wat H heeft verklaard, en welke verklaring appellant niet heeft bestreden, is niet geloofwaardig dat appellant er niet van op de hoogte was dat H tijdens zijn detentie in zijn woning verbleef. Uit de verklaring van H blijkt dat zij niet alleen gedurende de periode van

24 januari 2012 tot en met 23 juli 2012 in de woning van appellant verbleef, maar ook in de periode daarvoor. H heeft immers verklaard dat zij en appellant vanaf 19 november 2011 feitelijk samen op het adres woonden, terwijl appellant eerst op 23 januari 2012 is gedetineerd. De stelling dat H mogelijk in de woning verbleef als tijdelijke noodoplossing, staat haaks op de verklaring van H dat zij pas sinds 3 augustus 2012 een nieuwe woning huurde en dat zij ten tijde van het huisbezoek in september 2012 nog in de woning verbleef omdat haar eigen woning nog niet klaar was. De veronderstelling van appellant dat H in haar eigen woning verbleef en af en toe in zijn woning aanwezig was om op zijn honden te passen of deze uit te laten, strookt voorts niet met het gegeven dat H in die periode weliswaar stond ingeschreven op een ander adres, maar dat dat een postadres betrof.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant aan het college melding had moeten doen van het feit dat H in zijn woning woonde en dat hij, door dit na te laten, de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet met verbetering van gronden worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.G. van den Berg

HD