Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-03-2015
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
13-4715 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv appellant terecht met ingang van 18 september 2012, de datum in geding, in staat heeft geacht tot het verrichten van de in het kader van de Wet WIA geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4715 ZW

Datum uitspraak: 11 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 juli 2013, 12/6322 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Bevelander, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bevelander. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is tot 1 februari 2010 werkzaam geweest als schoonmaker. Vanaf die datum heeft hij een uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet (WW). Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW heeft hij zich op 25 mei 2010 ziek gemeld met psychische klachten.

1.2.

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 23 mei 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedroeg. Aan dit besluit heeft het Uwv een rapport ten grondslag gelegd van een verzekeringsarts van 4 april 2012 met bijbehorende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een rapport van een arbeidsdeskundige van 12 april 2012. De verzekeringsarts heeft appellant aangewezen geacht op vaste, bekende werkwijzen, op een voorspelbare werksituatie, zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, zonder veelvuldige deadlines of productiepieken bij complexe taken, zonder hoog handelingstempo bij complexe taken en zonder verhoogd persoonlijk risico (in verband met medicatie). Hij heeft appellant in staat geacht met anderen samen te werken, mits binnen een eigen tevoren afgebakende deeltaak. Verder is appellant beperkt in het omgaan met conflicten.Ten slotte heeft hij appellant aangewezen geacht op werk waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten, patiënten of hulpbehoevenden vereist is. De arbeidsdeskundige heeft appellant met inachtneming van deze beperkingen in staat geacht onder meer de functies van productiemedewerker metaal en elektro (SBC-code 111171), snackbereider

(SBC-code 111071) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) te vervullen.

1.3.

Op verzoek van de verzekeringsarts is appellant onderzocht door psychiater

W.M.J. Hassing. Deze heeft in haar rapport van 18 mei 2012 geconcludeerd tot de aanwezigheid van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming. Zij heeft geen aanwijzingen gevonden voor een specifieke angst- en/of stemmingsstoornis. Volgens haar heeft appellant vanuit zijn persoonlijke en culturele achtergrond met spanningsklachten gereageerd op de stress rondom de problemen van zijn dochter en de spanningen in zijn huwelijk. Van persoonlijkheidsproblematiek of posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft zij geen sprake geacht. De bij appellant aanwezige gedragsproblematiek paste volgens haar binnen het kader van een aanpassingsstoornis.

1.4.

Appellant heeft zich met ingang van 13 augustus 2012 opnieuw met psychische klachten ziek gemeld vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW. Op 18 september 2012 heeft appellant het spreekuur bezocht van een andere verzekeringsarts dan de verzekeringsarts die hem in het kader van zijn vorige ziekmelding had gezien. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen sinds de beoordeling in het kader van de Wet WIA. Zij heeft appellant dan ook geschikt geacht voor één van de bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA geduide functies. Bij besluit van 18 september 2012 heeft het Uwv dienovereenkomstig vastgesteld dat appellant met ingang van diezelfde datum geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 8 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 november 2012, waarin deze de conclusie van de verzekeringsarts heeft onderschreven.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat hier als maatstaf voor “zijn arbeid” heeft te gelden elk van de door de arbeidsdeskundige bij de beoordeling in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. De rechtbank heeft uitgebreid aandacht besteed aan het medisch onderzoek en dit aangemerkt als voldoende zorgvuldig. Het op dit onderzoek gebaseerde bestreden besluit heeft de rechtbank voldoende deugdelijk gemotiveerd geacht. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de juistheid van het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd in twijfel te trekken.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep het ook in beroep ingenomen standpunt herhaald dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest omdat zijn klachten zijn onderschat en dat hij niet in staat is de geduide functies te verrichten. Appellant heeft ter onderbouwing van dit standpunt twee brieven overgelegd van i-psy, gedateerd 28 januari 2014 en

13 januari 2015.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het Uwv heeft in reactie op de in 3.1 genoemde brieven rapporten overgelegd van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 21 februari 2014 en 22 januari 2015.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd en maakt deze tot de zijne. Naar de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 21 februari 2014 en 22 januari 2015 terecht heeft gesteld, werpen de door appellant in hoger beroep overgelegde brieven van i-psy aan zijn huisarts geen nieuw licht op de situatie van appellant op de datum in geding.

4.2.

Gelet op wat is overwogen in 4.1 heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv appellant terecht met ingang van 18 september 2012, de datum in geding, in staat heeft geacht tot het verrichten van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Daarom slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en A.I. van der Kris en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2015.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) B. Fotchind

NK