Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:701

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
13-5578 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6847, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft de aanvraag om bijstandsuitkering buiten behandeling gesteld, omdat appellant een aantal gegevens en/of bescheiden niet heeft ingeleverd en hierdoor de aanvraag niet kon worden beoordeeld. Vaste rechtspraak dat het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd is om financiële gegevens te vragen over de periode onmiddellijk voorafgaand aan de gevraagde ingangsdatum bijstand. De opgevraagde en nog niet ingeleverde stukken waren nodig voor de beoordeling van het recht op bijstand: de gegevens hadden betrekking op de vermogenspositie en de financiële situatie na het faillissement. De omstandigheid dat een deel van de gevraagde gegevens al was overgelegd, doet hieraan niet af. Het enkel online tonen van bankafschriften is onvoldoende, het college dient de beschikking te hebben over de feitelijke bankafschriften. De stelling dat een aantal van de gevraagde stukken niet kon worden ingediend omdat ze nog bij de curator lagen, treft geen doel. Appellant had het college hierop kunnen wijzen en, indien nodig, om verlenging van de hersteltermijn kunnen verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5578 WWB

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 september 2013, 13/535 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. Bhadai. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 19 december 2010 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant is op 21 april 2009 in staat van faillissement verklaard. Om de aanvraag te kunnen beoordelen heeft het college appellant bij brief van 18 januari 2011 verzocht nadere gegevens over te leggen en hem daarbij in de gelegenheid gesteld om de gevraagde stukken uiterlijk 31 januari 2011 bij het college in te dienen. Appellant is er op gewezen dat als hij niet tijdig reageert of niet alle gevraagde gegevens inlevert, zijn aanvraag niet in behandeling wordt genomen.

1.2.

Bij besluit van 4 februari 2011 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan het verzoek om uiterlijk 31 januari 2011 de gevraagde gegevens te verstrekken. Dit besluit is op 25 maart 2011 naar aanleiding van een door appellant ingediend bezwaarschrift ingetrokken.

1.3.

Het college heeft appellant bij brief van 30 maart 2011 verzocht om voor 11 april 2011 alsnog de volgende gegevens en/of bescheiden in te leveren:

1. zorgverzekeringspolis of ander zorgverzekeringsbewijs;

2. alle gegevens over spaartegoeden, beleggingen, huis in eigendom en ander vermogen;

3. bewijzen van sollicitaties;

4. gegevens over zijn hypotheeklasten: de kosten van aflossing, hypotheekrente, de oorspronkelijke hoofdsom en het resterende hypotheekbedrag, erfpacht, gemeente heffingen en waterschapsheffingen;

5. de aanslag inkomstenbelasting over 2009;

6. de beschikking voorschot zorgtoeslag van de belastingdienst over 2011;

7. recente bewijzen van schulden;

8. de belastingaangifte over 2009;

9. balans en winst- en verliesrekening over 2009;

10. het formulier bereidheidsverklaring en vragenlijst gezamenlijke huishouding, volledig ingevuld;

11. kopie uitspraak faillissement;

12. afschriften zakelijke rekening van maart 2010 tot heden;

13. afschriften bankrekening [rekeningnummer] van maart 2010 tot heden;

14. stand van zaken omtrent zijn faillissement, gegevens curator enz;

15. woz waarde van zijn woning;

16. bewijs van belastingdienst over de teruggaven aanslag van 2006 van € 71.722,-.

Het college heeft appellant (wederom) te kennen gegeven dat hij tijdig om uitstel kan verzoeken en dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld indien hij niet tijdig dan wel niet alle gevraagde stukken inlevert. Omdat appellant niet aan voornoemd verzoek heeft voldaan, heeft het college appellant bij e-mailbericht van 12 april 2011 nogmaals in de gelegenheid gesteld op de brief van 30 maart 2011 te reageren. De termijn om te reageren is daarbij verlengd tot en met 18 april 2011.

1.4.

Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college de aanvraag van appellant buiten behandeling gesteld, omdat appellant niet heeft gereageerd op de brief van 30 maart 2011 en hierdoor de aanvraag niet kon worden beoordeeld.

1.5.

Bij besluit van 13 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2011 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant een deel van de gevraagde gegevens reeds had overgelegd, zodat ten onrechte aan hem is verzocht deze alsnog over te leggen, maar dat een aantal relevante gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag nog ontbreken. Zo zijn van bankrekening [rekeningnummer] afschriften ingeleverd over de periode van 2 oktober 2010 tot en met 24 december 2010, maar over de andere perioden ontbreken de afschriften.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij reeds bij de aanvraag alle benodigde gegevens heeft verstrekt. Ook heeft hij bij de aanvraag online inzage gegeven in zijn bankafschriften. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellant binnen de geboden hersteltermijn onvoldoende gegevens of bescheiden heeft verstrekt om een goede beoordeling van zijn aanvraag mogelijk te maken. Daarbij komt dat appellant in staat van faillissement is verklaard en dat zijn vermogen/inkomen onderdeel uitmaakt van de failliete boedel. Ook om die reden had het opvragen van aanvullende gegevens geen enkele toegevoegde waarde meer. Bovendien had appellant over een deel van de gevraagde stukken geen beschikking, omdat deze stukken zich bij de curator bevonden. Het college was dan ook niet bevoegd om de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de bij appellant opgevraagde en door hem nog niet ingeleverde stukken nodig waren voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het gaat hier immers om gegevens die betrekking hadden op zijn vermogenspositie en zijn financiële situatie na het faillissement. De omstandigheid dat appellant een deel van de gevraagde gegevens had overgelegd, doet hieraan niet af.

4.4.

Dat appellant online inzage heeft gegeven in zijn bankafschriften blijkt op geen enkele wijze uit de stukken. Appellant heeft dit verder ook niet onderbouwd. Daarbij komt dat het enkel online tonen van bankafschriften onvoldoende is. Voor het vaststellen van het recht op bijstand dient het college de beschikking te hebben over de feitelijke bankafschriften. Een compleet overzicht van het verloop van de bankrekening van appellant over de verzochte periode is immers noodzakelijk om te beoordelen of appellant al dan niet beschikt over voldoende middelden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

4.5.

De stelling van appellant dat hij een aantal van de gevraagde stukken niet kon indienen omdat deze stukken zich nog bij de curator bevonden, treft geen doel. Appellant had het college hierop kunnen wijzen en, indien nodig, om verlenging van de hersteltermijn kunnen verzoeken. Appellant heeft dit echter nagelaten. Het college heeft appellant in zijn brieven van 18 januari 2011 en 30 maart 2011 gewezen op de consequenties. Het betoog van appellant dat deze brieven hem niet tijdig hebben bereikt omdat de post via de curator bij hem terecht komt, slaagt evenmin. Appellant is immers bij het aan hem gerichte e-mailbericht van

12 april 2011 nogmaals in de gelegenheid gesteld de gevraagde stukken bij het college in te dienen. Appellant had op dat moment ook nog uitstel kunnen vragen van de hersteltermijn die reeds was verlengd tot en met 18 april 2011.

4.6.

Gelet op wat onder 4.3 tot en met en 4.5 is overwogen, was het college op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bevoegd de aanvraag van appellant buiten behandeling te stellen. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door Y. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.

(getekend) Y. Klik

(getekend) C. Moustaine

HD