Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:606

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-03-2015
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
13-6864 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen melding te maken van het bezit van vermogen in Pakistan en van door appellant verrichte werkzaamheden bij een pizzeria, dan wel van het werkzaam zijn als zelfstandige. Als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Appellanten hebben in hoger beroep herhaald wat zij ook in beroep naar voren hebben gebracht. Daarin wordt geen grond gezien om tot een ander oordeel te komen dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6864 WWB, 13/6865 WWB

Datum uitspraak: 3 maart 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

13 november 2013, 13/13 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.M.A. Arnoldus, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2015. Voor appellanten is verschenen mr. Arnoldus. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 6 april 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Op 3 december 2009 heeft de administratie van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) een tip ontvangen met betrekking tot uitkeringsfraude bij vier horecaondernemingen van de familie [X.] in de stad Groningen. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een onderzoek verricht. In dat kader heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, registers geraadpleegd, observaties verricht, diverse woningen en bedrijfspanden doorzocht, diverse personen, waaronder appellanten, als verdachten verhoord en diverse getuigen gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 5 maart 2012.

1.3.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 6 maart 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 november 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten vanaf 6 april 2009 in te trekken en de over de periode van

6 april 2009 tot en met 14 november 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 45.449,77 van appellanten terug te vorderen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het bezit van vermogen in Pakistan en van door appellant verrichte werkzaamheden bij pizzeria [pizzeria] (tot 1 december 2009), dan wel van het werkzaam zijn als zelfstandige (vanaf 1 december 2009). Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het standpunt van het college onderschreven dat, wegens schending van de inlichtingenplicht, het recht op bijstand van appellanten over de periode van 6 april 2009 tot 1 december 2009 niet kan worden vastgesteld en dat zij vanaf 1 december 2009 geen recht hadden op bijstand wegens het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige. Ten aanzien van het bezit van vermogen in Pakistan heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht geconcludeerd heeft dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door hiervan geen melding te hebben gemaakt. Tijdens zijn verhoor op 17 november 2011 heeft appellant onder andere verklaard dat zijn familie in Pakistan over veel grond en huizen beschikt en dat hij daarin een aandeel heeft. Uit de erfenis van zijn ouders heeft hij behoorlijk veel geld ontvangen waarmee hij onder andere een winkel heeft gekocht die op dit moment wordt verhuurd. Daarnaast heeft appellant een bankrekening in Pakistan waar veel geld op staat. Appellanten hebben geen inzicht gegeven in de exacte waarde van hun vermogen. Zij hebben uitsluitend twee documenten overgelegd die zien op het huis dat gezamenlijk eigendom zou zijn van appellant en zijn drie broers, zodat de waarde van hun vermogen niet kan worden bepaald. Aan de stelling van appellanten dat de bezittingen in Pakistan niet direct opeisbaar zijn, kan, reeds vanwege het ontbreken van gegevens daarover, geen waarde worden gehecht. Van de werkzaamheden door appellant bij [pizzeria] hebben zij over de periode van mei 2009 tot en met 30 november 2009 de door appellant hieruit verkregen inkomsten onjuist opgegeven. Deze inkomsten stemmen niet overeen met de uit Suwinet verkregen gegevens en appellant heeft op 16 november 2011 verklaard dat hij maandelijks op wisselende dagen en uren heeft gewerkt, terwijl hij iedere maand hetzelfde loon heeft opgegeven. De door hem gewerkte uren werden niet bijgehouden en hij heeft ze zelf ook niet bijgehouden. Over de periode van 1 december 2009 heeft appellant verklaard dat hij dagelijks negen tot tien uur werkzaam was in zijn eigen bedrijf. Appellante heeft tijdens haar verhoor op 21 november 2011 verklaard dat zij geen toestemming hebben gekregen om met behoud van uitkering een eigen bedrijf te beginnen.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Evenals in bezwaar en beroep betwisten appellanten dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden vanwege het bezit van vermogen in Pakistan en het verrichten van werkzaamheden door appellant. Daarnaast stellen zij dat zij destijds begrepen hebben dat zij met behoud van uitkering een eigen bedrijf konden beginnen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben in hoger beroep herhaald wat zij ook in beroep naar voren hebben gebracht. Daarin wordt geen grond gezien om tot een ander oordeel te komen dan in de aangevallen uitspraak is neergelegd. De Raad verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel berust en verwijst daarnaar.

4.2.

Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit brengt mee dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade dient te worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en P.W. van Straalen en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2015.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD