Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-02-2015
Datum publicatie
26-02-2015
Zaaknummer
13-5370 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:6755, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting door geen melding te maken van het vermogen waarover hij ten tijde van de aanvraag om bijstand beschikte. Appellant heeft de gestelde besteding van het contante geldbedrag niet aannemelijk gemaakt waarmee de omvang van het contante geldbedrag waarover appellant in de periode in geding heeft beschikt onduidelijk is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5370 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 september 2013, 12/4986 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Dinç.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 21 februari 2011 tot en met 15 januari 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst, dat appellant op

31 december 2010 beschikte over een bankrekening met nummer [nummer] (bankrekening), waarvan het saldo op die datum € 18.903,- bedroeg, heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam (ABO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In dat kader heeft de ABO onder meer dossieronderzoek gedaan en appellant bij brieven van 16 januari 2012, 22 mei 2012 en 29 mei 2012 verzocht om afschriften van de bankrekening te overleggen. Hierop heeft appellant een brief van de ING-bank van 2 februari 2012 overgelegd waaruit blijkt dat de bankrekening op 10 februari 2011 is opgeheven. Appellant heeft geen afschriften van de bankrekening overgelegd.

1.3.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 13 juni 2012 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 21 februari 2011 ingetrokken en de kosten van bijstand over de periode van 21 februari 2011 tot en met 15 januari 2012 tot een bedrag van € 11.021,69 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft appellant alsnog de gevraagde bankafschriften ingeleverd. Hieruit blijkt dat appellant op 27 en 28 januari 2011 in totaal € 19.075,- heeft opgenomen van de bankrekening. Naar aanleiding van deze bankafschriften heeft de ABO nader onderzoek gedaan. In dat kader heeft de ABO dossieronderzoek gedaan en appellant gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

30 augustus 2012.

1.5.

Bij besluit van 26 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 13 juni 2012 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het vermogen waarover hij ten tijde van de aanvraag om bijstand beschikte. Omdat appellant gelden per kas heeft opgenomen, kan niet worden vastgesteld wat de bestemming van deze gelden is geweest en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting omdat de bankrekening al op 10 februari 2011, een datum voor de bijstandsverlening, is opgeheven. Bovendien heeft appellant mondeling melding gemaakt van de bankrekening en had het college, gelet op zichtbare mutaties naar de bankrekening vanaf wel overgelegde bankafschriften, op de hoogte kunnen zijn van de bankrekening. Omdat sprake is van een belastend besluit is het aan het college om aan te tonen dat appellant ook op 21 februari 2011 nog over het opgenomen bedrag kon beschikken. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat indien wel sprake zou zijn van schending van de inlichtingenverplichting, hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij het contant opgenomen geldbedrag ten behoeve van zijn familie heeft uitgevoerd naar Iran en niet meer over dit bedrag beschikte. Verder heeft appellant een beroep gedaan op dringende redenen om van terugvordering af te zien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.1.

Vaststaat dat appellant tot 10 februari 2011 heeft beschikt over de bankrekening. Verder staat vast dat appellant op 27 en 28 januari 2011 in totaal € 19.075,- van deze bankrekening heeft opgenomen.

4.2.2.

Het betoog van appellant dat hij de bankrekening niet had hoeven melden, omdat deze al voor de toekenning van bijstand was opgeheven, kan niet worden gevolgd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het gegeven dat appellant in de drie maanden voorafgaand aan zijn aanvraag heeft beschikt over een bankrekening, van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Gelet op de hoogte van het saldo op de bankrekening en de omvang van het door appellant opgenomen geldbedrag had het hem redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat dit van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. Daarbij komt dat appellant naar aanleiding van zijn aanvraag in februari 2011 ook is gevraagd om afschriften van al zijn bankrekeningen over de laatste drie maanden over te leggen.

4.2.3.

De stelling van appellant dat hij mondeling melding zou hebben gemaakt van de bankrekening strookt niet met de in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag opgestelde rapportage van 11 maart 2011. Hieruit blijkt dat appellant naar aanleiding van een vraag over een op de door hem van zijn andere bankrekening overgelegde afschriften zichtbare overschrijving naar de bankrekening, heeft verklaard dat die rekening de bankrekening van zijn broer is. Voor de enkele stelling dat hij melding heeft gemaakt van de bankrekening, zijn geen aanknopingspunten in het dossier voorhanden. Anders dan appellant betoogt, ontslaat de omstandigheid dat het college, gelet op de hiervoor genoemde overschrijving, op de hoogte had kunnen zijn van de bankrekening appellant niet van de op hem rustende inlichtingenverplichting. Dit betekent dat appellant door geen melding te maken van de bankrekening de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.1.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre, de betrokkene verkeert of heeft verkeerd in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.3.2.

De grond van appellant dat het door hem opgenomen geldbedrag niet van invloed is op zijn recht op bijstand in de te beoordelen periode, omdat hij dit bedrag heeft uitgevoerd naar familieleden in Iran en hij in de te beoordelen periode niet meer beschikte over dit geldbedrag, wordt verworpen. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij niet langer over het geldbedrag beschikte. Hij heeft zijn stelling dat hij het geldbedrag heeft uitgevoerd naar Iran door dit aan iemand mee te geven op Schiphol niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Uit de door appellant overgelegde factuur van het wisselkantoor Kargostaran te Iran van 19 februari 2011 blijkt weliswaar dat op genoemde datum een bedrag van € 20.000,- is omgewisseld voor 326.000.000,- Rial, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat dit bedrag afkomstig is van appellant. De enkele omstandigheid dat dit bedrag nagenoeg overeenkomt met het bedrag dat van de bankrekening is opgenomen, is daarvoor ontoereikend. Dat de broer van appellant heeft verklaard dat appellant hem in 2011 een bedrag van € 20.000,- heeft gestuurd, leidt niet tot een ander oordeel omdat deze verklaring achteraf is opgesteld en onvoldoende verifieerbaar en objectief moet worden geacht. Daarbij komt dat appellant op het aanvraagformulier noch op het vermogensformulier melding heeft gemaakt van de in deze verklaring gestelde aan appellant geleende bedragen en nog openstaande schuld. Verder heeft appellant desgevraagd ter zitting van de Raad over het verschil in het opgenomen bedrag van € 19.075,- en het bedrag van € 20.000,- verklaard dat hij ook gelden van andere familieleden had ontvangen. Ook daarvan ontbreekt een onderbouwing in de stukken. Dit betekent dat appellant de gestelde besteding van het contante geldbedrag niet aannemelijk heeft gemaakt en dat daarmee de omvang van het contante geldbedrag waarover appellant in de periode in geding heeft beschikt onduidelijk is gebleven.

4.3.3.

Het college heeft zich, gelet ook op de omvang van het op 27 en 28 januari 2011 opgenomen contante geldbedrag, terecht op het standpunt gesteld dat door de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of appellant in de periode in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat in zijn geval sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college overeenkomstig zijn beleid van terugvordering moet afzien. Dat is het geval omdat het college op de hoogte had kunnen zijn van het bestaan van de bankrekening. Deze omstandigheid is al betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting door appellant en vormt dus geen dringende reden op grond waarvan het college geheel of gedeeltelijk van terugvordering had behoren af te zien.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C.M.A.V. van Kleef

HD