Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:5007

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2015
Datum publicatie
04-08-2016
Zaaknummer
14/820 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De loonbetalingsverplichting is ten onrechte verlengd op de grond dat onvoldoende stukken voor een voldoende beeldvorming zijn ingezonden. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Er kan nu geen loonsanctie wegens eventuele inhoudelijke tekortkomingen meer worden opgelegd. De Raad zal daarom zelf in de zaak voorzien en het besluit van 7 september 2012, waarbij aan appellante de verplichting tot doorbetalen van loon aan belanghebbende is opgelegd, herroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0819
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/820 WIA

Datum uitspraak: 18 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 december 2013, 13/1468 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

M.C.P. van den Berg te Someren (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.T.J.A. Klijn hoger beroep ingesteld.

M.C.P. van den Berg, voormalig werkneemster van appellante en belanghebbende, heeft zich als partij in de procedure gesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2015. Namens appellant is mr. Klijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog. Belanghebbende is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Belanghebbende is op 16 oktober 2010 uitgevallen voor haar werk als Sales Advisor bij appellante. Belanghebbende heeft op 28 juli 2012 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij brief van 2 augustus 2012 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat zij nog niet alle documenten van het re-integratieverslag heeft opgestuurd en haar verzocht alsnog de formulieren het actueel oordeel en de medische informatie op te sturen.

1.3.

Bij brieven van 10 augustus 2012 heeft het Uwv aan belanghebbende en aan appellante meegedeeld dat de ontbrekende documenten van het re-integratieverslag op 9 augustus 2012 door het Uwv zijn ontvangen en dat de WIA-aanvraag nu in behandeling kan worden genomen. Daarbij heeft het Uwv in de brief aan belanghebbende vermeld: “Wij gaan nu bekijken of uw werkgever en u voldoende hebben gedaan aan uw re-integratie.”

1.4.

Bij besluit van 7 september 2012 heeft het Uwv het tijdvak waarin belanghebbende jegens appellante als werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 13 oktober 2013, omdat appellante volgens het Uwv niet voldoende heeft gedaan om belanghebbende te re-integreren. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar een rapport van een verzekeringsarts van 4 september 2012, waarin deze arts concludeert dat er op grond van de door de bedrijfsarts aangeleverde medische gegevens sprake is van onvoldoende medische beeldvorming. Omdat de bedrijfsarts, ondanks een herhaald verzoek daartoe, niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt heeft om de tekortkomingen te herstellen, is volgens de verzekeringsarts een zogenoemde administratieve loonsanctie van toepassing.

1.5.

Bij besluit van 12 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 september 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 maart 2013 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de in het rapport van 4 september 2012 neergelegde opvatting van de verzekeringsarts onderschreven dat de overgelegde medische informatie niet toereikend is om tot een voldoende beeldvorming te komen.

2.1.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft het Uwv de loonsanctieperiode bekort tot

23 november 2012. Per die datum is aan belanghebbende een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingediende beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het Uwv terecht aan appellante een loonsanctie heeft opgelegd.

3. Appellante kan zich niet met de uitspraak van de rechtbank verenigen en heeft in hoger beroep haar in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden gehandhaafd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het Uwv aan appellante op goede gronden een administratieve loonsanctie heeft opgelegd.

4.2.

Op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens zijn werkgever recht heeft op doorbetaling van het loon bij ziekte met 52 weken, indien bij de behandeling van de WIA-aanvraag blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste tot en met het vijfde lid van artikel 25 van de Wet WIA of van de krachtens het zevende lid van artikel 25 van de Wet WIA gestelde regels niet of niet volledig is nagekomen, of als de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De verplichtingen van het eerste tot en met het vijfde lid van artikel 25 van de Wet WIA zien onder meer op de verslaglegging van de re-integratie-inspanningen en de begeleiding van de verzekerde. In de mede op artikel 25, zevende lid, van de Wet WIA gebaseerde Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar (Stcrt. 2002, 60) zijn de administratieve verplichtingen van de werkgever uitgewerkt.

4.3.

In zijn Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Stcrt. 2002, 236 en Stcrt. 2006, 224) heeft het Uwv een kader gegeven voor de inzet en beoordeling van

re-integratie-inspanningen. Daarin is neergelegd welke inspanningen van de werkgever en de werknemer worden verwacht en hoe (de resultaten van) deze inspanningen door het Uwv worden getoetst. Op grond van de beleidsregels maakt het Uwv een onderscheid tussen administratieve tekortkomingen van de werkgever en tekortkomingen van inhoudelijke aard.

4.4.

In de in 4.3 genoemde beleidsregels is onder het kopje “5. Beoordeling

re-integratieverslag” en het subkopje “volledigheid re-integratieverslag” opgenomen:

“Het UWV controleert allereerst of de voorgeschreven stukken in het

re-integratieverslag aanwezig zijn. Die stukken vormen de basis voor de beoordeling van de re-integratie-inspanningen. Is het verslag niet volledig, dan is sprake van een administratieve tekortkoming die de werkgever moet herstellen. Als de tekortkoming aan de werkgever ligt, stelt het UWV de werkgever eerst in staat de ontbrekende gegevens binnen één week aan te vullen. In veel gevallen zal het re-integratieverslag dan wel compleet zijn en kan de inhoudelijke beoordeling plaatsvinden. Het is echter ook mogelijk dat de werkgever de gevraagde gegevens niet levert. In dat geval legt het UWV de werkgever een loonsanctie op. In de loonsanctiebeslissing wordt duidelijk aangegeven welke stukken ontbreken. (…)”

4.5.

Onder meer in zijn uitspraak van 12 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM4397, heeft de Raad de beschrijving door het Uwv van het loonsanctiesysteem, zoals dat voortvloeit uit de artikelen 25, 64 en 65 van de Wet WIA, voor juist gehouden. Ook uit deze beschrijving volgt een onderscheid tussen administratieve tekortkomingen en tekortkomingen van inhoudelijke aard als grondslag voor een loonsanctie. Als een werkgever, nadat aan hem een loonsanctie is opgelegd in verband met een administratieve tekortkoming, alsnog de gevraagde gegevens toestuurt aan het Uwv, dan geldt volgens deze beschrijving:

“Het UWV zal vervolgens beoordelen of de werkgever zijn verzuim voldoende heeft hersteld. Is dat niet het geval dan wordt de loonsanctie voortgezet. Heeft de werkgever zijn verzuim wel voldoende hersteld, dan beoordeelt het Uwv of de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Is dat het geval dan wordt de loonsanctie beëindigd (…). Heeft de werkgever onvoldoende inspanningen gepleegd, dan wordt de loonsanctie op inhoudelijke gronden voortgezet. De grondslag van de loonsanctie wijzigt in dat geval van het niet voldoen aan de administratieve verplichtingen in het geen of onvoldoende leveren van re-integratie-inspanningen.”

4.6.

Een opsomming van de voorgeschreven stukken, waarvan het Uwv de aanwezigheid in het re-integratieverslag op grond van zijn beleidsregels als eerste controleert, is gegeven in artikel 6 van de Regeling procesgang eerste en tweede ziektejaar. Alleen het actueel oordeel, dat het Uwv bij appellante heeft opgevraagd, maakt overigens deel uit van deze opsomming, het toesturen van medische informatie niet. Tussen partijen is niet in geschil dat het

re-integratieverslag niet volledig was. Deze bij brief van 2 augustus 2012 vermelde onvolledigheid was een administratieve tekortkoming die appellante uiterlijk 9 augustus 2012 diende te herstellen.

4.7.

Met brieven van 10 augustus 2012 aan belanghebbende en appellante heeft het Uwv - deze brieven in samenhang beschouwend - vastgesteld dat binnen de gestelde termijn aan de administratieve verplichtingen is voldaan, dat het Uwv over alle benodigde documenten beschikt, dat de WIA-aanvraag van belanghebbende in behandeling zal worden genomen en dat zal worden bezien of belanghebbende en appellante voldoende re-integratie-inspanningen hebben verricht. Uit deze mededelingen van het Uwv aan belanghebbende en appellante is geen andere conclusie te trekken dan dat alleen het opleggen van een inhoudelijke loonsanctie nog ter beoordeling staat. Zoals ook al is geoordeeld in de uitspraak van 28 januari 2015 (ECLI:NL:CRvB:2015:202) is met de vaststelling dat de ontbrekende documenten zijn ontvangen en het re-integratieverslag compleet is geworden, het stadium waarin aan de werkgever een administratieve loonsanctie kan worden opgelegd gepasseerd. Dat betekent dat ook in het geval van appellante de loonbetalingsverplichting ten onrechte is verlengd op de grond dat onvoldoende stukken voor een voldoende beeldvorming zijn ingezonden. De in 4.1 geformuleerde vraag wordt ontkennend beantwoord.

4.8.

Of er gronden zouden zijn geweest voor het opleggen van een loonsanctie vanwege inhoudelijke tekortkomingen in de zin van onvoldoende re-integratie-inspanningen van appellante en of het Uwv bij zijn toetsing daarvan overeenkomstig zijn beleidsregels heeft gehandeld, staat in dit geding niet ter beoordeling.

4.9.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen slaagt het hoger beroep. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd dienen te worden met gegrondverklaring van het beroep. Gelet op artikel 25, tiende lid, van de Wet WIA, kan nu geen loonsanctie wegens eventuele inhoudelijke tekortkomingen meer worden opgelegd. De Raad zal daarom zelf in de zaak voorzien en het besluit van 7 september 2012, waarbij aan appellante de verplichting tot doorbetalen van loon aan belanghebbende is opgelegd, herroepen.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van appellante. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar, € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep, in totaal € 2.940,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 12 maart 2013;

- herroept het besluit van 7 september 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 12 maart 2013;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van

€ 2.940,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 796,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2015.

(getekend) M. Greebe

(getekend) B. Fotchind

UM