Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:5003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-11-2015
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
13/281 WWAJ-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Afwijzing verzoek terug te komen van weigering Wajong-uitkering. Het rapport van de door de Raad geraadpleegde psychiater leidt tot een andere conclusie over de belastbaarheid van appellant waardoor de FML van 31 augustus 2010 een onjuist beeld geeft van de mogelijkheden van appellant. Aangezien de ernst van het ziektebeeld bij eerdere beoordelingen in 2010 niet voldoende erkend is, waardoor achteraf is gebleken dat de schatting van de arbeidsmogelijkheden van appellant op een onjuiste medische grondslag berust, is er sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/281 WWAJ-T

Datum uitspraak: 16 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

29 november 2012, 12/4123 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.A. Maat, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken

ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift, een nader standpunt en enkele rapporten ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014. Appellant is verschenen,

bijgestaan door mr. Maat en [X.] als begeleidster. Het Uvvv heeft zich laten

vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos. Na de behandeling van het geding ter zitting

is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft

besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft psychiater dr. RN. Sno benoemd als deskundige voor het instellen van een

onderzoek. Deze heeft een schriftelijk verslag van zijn onderzoek, gedateerd 6 februari 2015,

ingebracht, waarop vervolgens door beide partijen is gereageerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren op 5 september 1990, heeft op 3 maart 2010 een aanvraag om een

uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet

Wajong) ingediend in verband met psychische problemen. Na een verzekeringsgeneeskundige

en arbeidskundige beoordeling heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2010 de aanvraag

afgewezen omdat appellant met het verrichten van arbeid meer dan 75% van het

minimumloon kan verdienen. Het tegen het besluit van 16 juni 2010 gemaakte bezwaar is bij

besluit op bezwaar van 15 oktober 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte

onaantastbaar geworden.

1.2.

Op 18 oktober 2011 heeft appellant opnieuw een aanvraag voor een Wajong-uitkering

ingediend. Bij deze aanvraag is een medische verklaring overgelegd van 6 oktober 2011 van

psychiater H. de Keyzer, waarin is vermeld dat appellant wegens problemen als gevolg van

onder meer een aandachttekortstoornis met hyperactiviteit en een pervasieve

ontwikkelingsstoornis, niet anderszins omschreven, ernstig gehandicapt is en in zijn

functioneren wordt belemmerd. Het Uwv heeft de aanvraag opgevat als een verzoek om terug

te komen van het besluit van 16 juni 2010 dat is gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van

15 oktober 2010. Beoordeling door de verzekeringsarts heeft het Uwv tot het standpunt geleid

dat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. Bij besluit van

8 november 2011 heeft het Uwv besloten om niet terug te komen van het gestelde in het

besluit van 16 juni 2010. Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het

bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2011 ongegrond verklaard. Aan dit

besluit ligt het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2012 ten

grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het

bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het Uwv in zijn opvatting gevolgd

dat appellant geen nieuwe medische informatie in het geding heeft gebracht. Het Uwv heeft

voldoende toegelicht waarom de door appellant overgelegde stukken van psychiater De

Keyzer geen nieuw gebleken feiten en of omstandigheden bevatten ten opzichte van de al

bekende gegevens, en waarom de hartklachten geen nieuw gebleken en of omstandigheden in

de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opleveren. De rechtbank

heeft geen reden gezien aan de juistheid van deze conclusie van de verzekeringsartsen te

twijfelen en heeft ook in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gezien om anders

te oordelen. Aan de beschikking indicatie WSW van 28 maart 2012 en de ziekmelding per

1 januari 2012 heeft de rechtbank niet die betekenis toegekend die appellant daaraan gehecht

wil zien. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat deze stukken geen betrekking

hebben op de belastbaarheid van appellant zoals die was op 5 september 2008 en dat zowel

voor de ziekmelding als de WSW-indicatie andere toetsingscriteria gelden.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen aanleiding

heeft gezien terug te komen van het besluit van 16 juni 2010. Volgens appellant is inmiddels

duidelijk gebleken dat bij de eerdere beoordeling zijn beperkingen en functionele

mogelijkheden niet juist zijn vastgesteld. Ter verdere onderbouwing van deze stelling zijn nog

enkele stukken ingezonden, waaronder een behandelplan van de psycholoog drs. M. Kerbusch

van 26 april 2013 en een brief van de psychiater J. Scholiers van 15januari 2013 en voorts

een rapport van 12 september 2013 van een psychodiagnostisch onderzoek.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 14januari 2015,

ECLI:NL:CRVB:2015:1, moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit, dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst. Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag voor het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

4.2.

In de uitspraak van 14 januari 2015 is verder uiteengezet op welke wij ze dergelijke

aanvragen door de aanvrager moeten worden onderbouwd en door het Uwv moeten worden

beoordeeld, en hoe de rechter beslissingen van het Uwv op dergelijke aanvragen toetst. Voor

het voorliggende geval betekent dit het volgende.

4.3.

Zoals onder 4.1 is overwogen moet de aanvraag van appellant naar zijn strekking worden

beoordeeld. Ter ondersteuning van zijn aanvraag heeft appellant, onder meer onder verwijzing

naar de brief van psychiater De Keyzer van 6 oktober 2011, gesteld dat hij vanaf 1990 lijdt

aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis waardoor hij niet goed kan functioneren. Gebleken

is inmiddels dat hij vanwege zijn psychische problemen geen enkele vervolgopleiding heeft

kunnen afronden en moeite heeft met verbale communicatie. Appellant heeft onder meer

tijdens de hoorzitting opgemerkt dat hij graag een Wajong-uitkering wil ontvangen omdat hij

dan wellicht bij zijn werkzaamheden wordt begeleid. De aanvraag van appellant moet daarom

niet alleen worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag die erop is gericht dat het Uwv

voor het verleden terugkomt van het besluit waarbij zijn aanvraag voor een uitkering op grond

van de Wet Wajong is afgewezen, maar moet mede worden aangemerkt als een aanvraag

waarbij om herziening wordt verzocht voor de toekomst.

4.4.

Op een herhaalde aanvraag is volgens vaste rechtspraak van de Raad artikel 4:6 van de

Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde

omstandigheden naar voren moet brengen. Daarvan moet uiterlijk in de bezwaarfase het

nodige bewijs worden geleverd. De Raad heeft in de uitspraak van 14 januari 2015

(ECLI:NL:CRVB:2015:1) aanleiding gezien om deze vaste rechtspraak voor zaken over een

duuraanspraak nader in te vullen, in die zin dat, indien de aanvraag waarbij is verzocht om

herziening voor de toekomst uiterlijk in de bezwaarfase toereikend is gemotiveerd, (ook) in

beroep en hoger beroep voor zodanige motivering nadere bewijsstukken kunnen worden

aangedragen.

4.5.

Voorts heeft de Raad in de onder 4.4 vermelde uitspraak overwogen dat in een procedure

als deze (waarin een duuraanspraak aan de orde is) ruimte bestaat voor het benoemen van een

deskundige. In het geval dat de aanvraag deugdelijk en toereikend is onderbouwd is het

immers denkbaar dat voor de uiteindelijke beoordeling van de beantwoording van de vraag of

het eerdere besluit onjuist is, een oordeel van een deskundige onontbeerlijk is.

4.6.

Aan het besluit van 15 oktober 2010 ligt het rapport van verzekeringsarts bezwaar en

beroep van 31 augustus 2010 ten grondslag. In dit rapport is deze verzekeringsarts, op basis

van informatie van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een verslag van een

psychodiagnostisch onderzoek van februari 2010, tot de conclusie gekomen dat de

beperkingen die door de primaire verzekeringsarts zijn weergegeven juist zijn vastgesteld.

Appellant heeft moeite de aandacht vast te houden. Dit past volgens de verzekeringsarts

bezwaar en beroep bij de diagnose aandachtstekortstoornis. Appellant is aangewezen op werk

waarin meestal weinig of geen rechtstreeks contact met klanten vereist is en op werk waarin

meestal weinig of geen direct contact is met patiënten of hulpbehoevenden. Dit in verband

met de kenmerken van de autismespectrumstoornis waar appellant aan lijdt. De belastbaarheid

van appellant is weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 augustus

2010.

4.7.

Een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in het rapport van 15 juni

2012 het oordeel van de primaire verzekeringsarts van 8 november 2011 overgenomen dat de

specificering van de diagnostiek zoals door psychiater De Keijzer is vastgesteld wellicht van

belang is voor de behandeling van appellant, maar geen wijziging inhoudt van de aard van de

belemmeringen. Er is volgens haar geen reden om de problematiek ernstiger te achten dan de

onder 4.6 genoemde verzekeringsartsen hebben gedaan. Er is volgens haar geen zicht op

nieuwe feiten of omstandigheden betreffende de gezondheidstoestand van appellant van

september 2007 tot 2008.

4.8.

Ten behoeve van zijn oordeelsvorming heeft de Raad psychiater Sno als deskundige

benoemd. Aan de deskundige is gevraagd of deze zich kan verenigen met de conclusie van de

verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juni 2012 dat er vanuit medisch oogpunt geen

reden is om af te wijken van het oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten of

omstandigheden, die aanleiding zouden vormen om terug te komen van het besluit van

weigering van een uitkering per 5 september 2008 op grond van de Wet Wajong.

4.9.

Psychiater Sno heeft appellant op 9 januari 2015 onderzocht en zijn bevindingen

neergelegd in het rapport van 6 februari 2015. Hij heeft te kennen gegeven dat bij zijn

onderzoek strikt genomen geen nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen. Wel dienen volgens

hem de ernst en de consequenties van de beschikbare feiten anders te worden gewogen dan

destijds bij de beoordeling in 2010 is gedaan. Op basis van zijn onderzoek en na uitvoerige

bestudering van het dossier is hij tot de conclusie gekomen dat de door de verzekeringsarts

bezwaar en beroep gehanteerde FML-score een onderschatting betekent van de ernst van de

beperkingen en invaliderende consequenties van de autistische stoornis waar appellant aan

lijdt. Appellant lijkt zijn eigen mogelijkheden ernstig te overschatten, kan zich als gevolg van

de autistische stoornis door ongevoeligheid en bij gebrek aan empathie niet inleven in

problemen van anderen en daarvan geen afstand nemen in gedrag en beleving. Wat betreft het

beoordelingspunt “eigen gevoelens uiten” heeft Sno opgemerkt dat appellant samenhangend

met de hiervoor genoemde stoornis en de beperkte intellectuele vermogens vrijwel altijd

inadequaat zal omgaan met emotionele uitingen van anderen, hetgeen zal leiden tot

vermindering van zijn handelingsmogelijkheden. Appellant brengt anderen in verwarring door

onduidelijke, onvoorspelbare of onconventionele wijze van gevoelsuitingen en is meestal niet

in staat gevoelens te uiten of uit deze ongecontroleerd, ongeacht de reacties van anderen.

4.10.

In reactie op het deskundigenrapport heeft het Uwv het bij het procesverloop vermelde

rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 februari 2015 ingezonden en

vastgesteld dat met de in de FML opgenomen beperkingen in voldoende mate rekening is

gehouden met de aanwezige medisch objectiveerbare klachten. Het Uwv stelt zich op het

standpunt dat aan de visie van Sno over de FML voorbij dient te worden gedaan.

4.11.

Namens appellant wordt gepleit voor heroverweging nu inmiddels duidelijk is gebleken

dat de situatie van appellant ernstiger is dan door het Uwv is vastgesteld.

4.12.

Het Uwv heeft bij het bestreden besluit beoordeeld of sprake is van nieuwe feiten of

veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van zijn besluit van

16 juni 2010. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht en op juiste gronden

geoordeeld dat wat appellant heeft vermeld bij zijn aanvraag van 18 oktober 2011 en naar

voren heeft gebracht in de bezwaarfase, niet is aan te merken als nieuw gebleken feiten of

veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De deskundige Sno heeft

desgevraagd in zijn rapport bevestigd dat zich geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben

voorgedaan.

4.13.

Gezien het onder 4.3 overwogene kan in deze zaak echter niet worden volstaan met de

beantwoording van de vraag of appellant (tijdig) nieuw gebleken feiten of veranderde

omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb heeft vermeld. Tevens is de vraag aan

de orde of er op grond van de onder punt 4.1 genoemde uitspraak van de Raad aanleiding is

de eerdere weigering aan appellant te blijven tegenwerpen. Die vraag beantwoordt de Raad

ontkennend.

4.14.

De deskundige Sno is tot een andere conclusie over de belastbaarheid van appellant

gekomen dan is weergegeven in de FML van 31 augustus 2010. De ernst van het ziektebeeld

is, aldus de deskundige, bij eerdere beoordelingen in 2010 niet voldoende onderkend,

waardoor achteraf is gebleken dat de schatting van de arbeidsmogelijkheden van appellant op

een onjuiste medische grondslag berust. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van

een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De Raad volgt het advies van de

deskundige Sno. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in de onder 4.1

genoemde rechtspraak van de Raad betreffende duuraanspraken. Het Uwv dient dan ook te

beoordelen of appellant rechten ontleent aan artikel 2:3, tweede lid, van de op 1 januari 2010

in werking getreden Wet Wajong.

4.15.

Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad

aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht

te geven liet in rechtsoverweging 4.14 geformuleerde gebrek in het bestreden besluit te

herstellen. De Raad zal daartoe een termijn van zes weken stellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van

deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft

overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein

als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 november 2015.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) J.R. van Ravenstein

NW