Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4952

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2015
Datum publicatie
07-01-2016
Zaaknummer
13-3152 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad heeft een neuroloog als deskundige benoemd, die rapport heeft uitgebracht. De conclusie van de neuroloog, dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsartsen van het Uwv opgestelde FML, wordt onderschreven. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Het bestreden besluit is eveneens op een deugdelijke arbeidskundige grondslag gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3152 WIA

Datum uitspraak: 27 november 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

8 mei 2013, 12/1026 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.P. van Unnik hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Unnik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft neuroloog dr. E.M.H. van den Doel als deskundige benoemd. Van den Doel heeft op 29 september 2015 een rapport uitgebracht.

Beide partijen hebben schriftelijke reacties op dit rapport uitgebracht.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als bedrijfsleider. Op 7 januari 2008 is hij voor dit werk uitgevallen met hoofdpijnklachten. Bij besluit van 18 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 4 januari 2010 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is daarbij vastgesteld op 78%. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 augustus 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond heeft het hiertegen ingestelde beroep bij uitspraak van

20 april 2011 (10/1322) gegrond verklaard, het besluit van 23 augustus 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. In hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 17 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1174) de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 april 2011 bevestigd.

1.2.

Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

4 maart 2012 (datum in geding) recht heeft op een WGA-vervolguitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Het Uwv heeft onderkend dat aan het besluit van 17 januari 2012 geen actueel medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag lag en heeft dit verzuim in bezwaar hersteld. De uitkomst van de medische en arbeidskundige beoordeling heeft niet tot een wijziging in de belastbaarheid en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant geleid. Appellant wordt onveranderd in staat geacht om gedurende ongeveer vier uur per dag werkzaamheden in passende functies te verrichten. Bij besluit van 11 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verzekeringsartsen van het Uwv zijn belastbaarheid hebben overschat. Appellant heeft betoogd dat hij als gevolg van chronische en ernstige clusterhoofdpijn meer beperkt is dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 februari 2012 is weergegeven. Appellant heeft aangevoerd circa acht tot elf aanvallen van clusterhoofdpijn per week te ondervinden, waardoor hij niet in staat is arbeid te verrichten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar het in beroep overlegde neuropsychologisch rapport van 1 februari 2013. Voorts heeft appellant in hoger beroep een patiënteninformatiebrief van augustus 2012 overgelegd over onderzoek door het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) naar behandeling van chronische clusterhoofdpijn, aan welk onderzoek appellant deelneemt. Uit deze informatiebrief wordt volgens appellant duidelijk dat hij veel last van bijwerkingen had en dat er geen medicijn is dat afdoende werkte. De medicatie die wel enig effect heeft mag appellant om cardiologische redenen niet meer gebruiken. Ten slotte is appellant van mening dat hij, gelet op zijn beperkingen, niet in staat is de geduide functies te vervullen.

3.2.

Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 september 2014, aangevoerd dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die aanleiding vormen het ingenomen standpunt te wijzigen. Derhalve heeft het Uwv verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.1.

Op verzoek van de Raad heeft neuroloog E.H.M. van den Doel een expertise verricht en de Raad op 29 september 2015 van verslag en advies gediend. In zijn rapport komt Van den Doel tot de conclusie dat appellant als gevolg van hoofdpijn beperkingen ondervindt. Volgens Van den Doel is echter onduidelijk of de klachten van appellant moeten worden toegeschreven aan clusterhoofdpijn of dat het gaat om medicatie-afhankelijke hoofdpijn. Bij medicatie-afhankelijke hoofdpijn worden eveneens pijnklachten ervaren, maar deze zijn minder ernstig dan de pijnklachten van clusterhoofdpijn. Desalniettemin heeft appellant volgens Van den Doel een ernstige vorm van hoofdpijn, waarvan appellant beperkingen voor het verrichten van arbeid ondervindt. Uit de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector blijkt dat appellant meerdere malen per week een hoofdpijnaanval heeft. Echter, volgens Van den Doel kan uit informatie van de behandelend sector en de door hem opgevraagde informatie bij de apotheek van appellant worden opgemaakt dat de frequentie van de hoofdpijnaanvallen lager ligt dan de door appellant gestelde frequentie van

acht tot elf aanvallen per week. Van den Doel concludeert, alles overziend, dat de door de verzekeringsartsen vastgestelde belastbaarheid van appellant van redelijkheid getuigt en onderschreven kan worden. Van den Doel acht appellant vanuit zijn discipline in staat de hem voorgehouden functies te vervullen.

4.2.

Appellant heeft zich niet met het rapport van Van den Doel kunnen verenigen. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat Van den Doel een onzorgvuldig en onvolledig onderzoek heeft verricht. Appellant heeft aangevoerd dat Van den Doel hem tijdens het onderzoek geen enkele vraag heeft gesteld over zijn klachten op de datum in geding. Voorts heeft Van den Doel in zijn rapport ten onrechte geconcludeerd dat appellant wellicht medicatie-afhankelijke hoofdpijn heeft. Appellant heeft aangevoerd dat uit de in het dossier aanwezige informatie blijkt dat hij lijdt aan clusterhoofdpijn, meer specifiek medicamenteus onbehandelbare chronische clusterhoofdpijn. Voorts heeft appellant aangevoerd dat Van den Doel ten onrechte heeft geconcludeerd dat de verzekeringsartsen van het Uwv zijn beperkingen juist hebben vastgesteld.

4.3.

Het Uwv heeft opnieuw verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport van Van den Doel geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en overtuigend. Er zijn geen specifieke bezwaren naar voren gebracht die een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de in het rapport neergelegde zienswijze. De conclusie van Van den Doel dat de hoofdpijnklachten van appellant mogelijk ook kunnen worden toegeschreven aan medicatiegebruik, komt overeen met de conclusie van neuroloog H.J.J.A. Bernsen in het in het dossier aanwezige rapport van 16 oktober 2011. Bovendien is Van den Doel niet uitgegaan van de diagnose medicatie-afhankelijke hoofdpijn, maar hij heeft geconcludeerd dat dit eveneens een verklaring voor de hoofdpijnklachten van appellant kan vormen. Voorts zijn er ook anderszins geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven de conclusies van Van den Doel niet te volgen. Van den Doel heeft te kennen gegeven zich te kunnen verenigen met de door de verzekeringsartsen van het Uwv opgestelde FML van 20 februari 2012. Deze conclusie van Van den Doel wordt onderschreven. Hieruit vloeit voort dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust.

5.2.

Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit geldt dat Van den Doel vanuit zijn vakgebied geen belemmeringen heeft aangegeven voor het vervullen van de voorgehouden functies. Nu er ook overigens geen aanknopingspunten zijn voor het standpunt dat de belasting van de geduide voorbeeldfuncties niet binnen de voor appellant toegestane belastbaarheid blijft, zijn de aan de schatting ten grondslag liggende functies terecht als voor appellant passend aangemerkt. Het bestreden besluit is eveneens op een deugdelijke arbeidskundige grondslag gebaseerd.

5.3.

Gelet op het overwogene onder 5.1 en 5.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2015.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) R. Rijnen

AP