Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2015
Datum publicatie
06-01-2016
Zaaknummer
14/5366 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevolgen besteding pgb voor andere voorziening.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning
Wet maatschappelijke ondersteuning 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/39
RSV 2016/19
JWWB 2016/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5366 WMO

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 augustus 2014, 14/2243 en 14/2244 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer (college), als rechtsopvolger van het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn (dagelijks bestuur).

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de opheffing van het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn oefent het college sinds 1 januari 2015 weer de bevoegdheden in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uit, die voorheen door het dagelijks bestuur werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het college mede verstaan het dagelijks bestuur.

Namens appellante heeft mr. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Voor appellante is

mr. Hoebba verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

C.D. van Zuilen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is bekend met een gewrichtsaandoening en met een aandoening van de bloedvaten.

1.2.

Bij besluit van 23 maart 2011 heeft het college aan appellante vanwege haar beperkingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een persoonsgebonden budget (pgb) verleend voor een scootmobiel. De looptijd van het toegekende pgb is afgestemd op de minimale gebruiksduur van een scootmobiel en bedraagt zeven jaar. Het pgb is bestemd voor de aanschaf, het onderhoud, de reparatie en de verzekering van de scootmobiel. Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het college aan appellante tevens een vervoerspas voor de regiotaxi toegekend.

1.3.

Appellante heeft het verleende pgb gebruikt voor de aanschaf, de verzekering, het onderhoud en de reparatie van een (tweedehands) gesloten buitenwagen, een 45 km auto.

1.4.

Op 11 september 2013 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een pgb voor een scootmobiel en voor een financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een auto. Aan deze aanvraag ligt ten grondslag dat de 45 km auto het eerder dan voorzien heeft begeven en niet meer bruikbaar is.

1.5.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het college advies ingewonnen bij SCIO Consult (SCIO). Uit het advies van SCIO van 21 oktober 2013 blijkt dat de beperkingen van appellante zijn toegenomen, maar dat zij nog steeds in staat is gebruik te maken van een scootmobiel en van het collectief (taxi)vervoer.

1.6.

Bij besluit van 7 november 2013 heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Volgens het college is de looptijd van het pgb, zoals genoemd onder 1.2, nog niet verstreken. Verder volgt uit het advies van SCIO dat appellante met dit pgb en de verstrekte vervoerspas voor de regiotaxi voldoende is gecompenseerd in haar vervoersbehoefte. Voor het toepassen van de hardheidsclausule bestaat geen aanleiding.

1.7.

Bij besluit van 18 maart 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 7 november 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat appellante, omdat zij nog steeds gebruik kan maken van een scootmobiel, medisch gezien niet is aangewezen op een 45 km auto. Het stond appellante vrij om het verleende pgb voor een scootmobiel te gebruiken voor een 45 km auto, maar dat het pgb hiervoor ontoereikend was komt voor haar rekening.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat zij door omstandigheden die niet aan haar zijn toe te rekenen naast de vervoerspas geen vervoersvoorziening meer heeft en dat zij daarop wel is aangewezen. Onder deze omstandigheden had het college haar, ondanks dat de looptijd van het pgb nog niet was verstreken, opnieuw een pgb voor een scootmobiel moeten verlenen. Er is aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 6 van de Wmo heeft de persoon die is aangewezen op een individuele voorziening in beginsel de keuze tussen het ontvangen van een voorziening in natura of het ontvangen van een hiermee vergelijkbaar pgb. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 28 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK2502) hoeft dit pgb niet uitsluitend aan de geïndiceerde voorziening te worden besteed. Ter toelichting op de in

artikel 6 van de Wmo besloten liggende keuzevrijheid heeft de wetgever immers aangegeven dat een persoonsgebonden budget een geldbedrag betreft dat naar eigen keuze van de budgethouder te besteden is voor een vooraf bepaald doel of activiteit

(TK 2004-2005, 30 131, nr. 3, p. 32).

4.2.

In overeenstemming hiermee heeft het college bij besluit van 23 maart 2011 aan appellante een pgb voor een scootmobiel verleend en heeft appellante dit pgb gebruikt voor de aanschaf en verdere kosten van een (tweedehands) 45 km auto. Dat dit pgb binnen de looptijd van zeven jaar volledig is besteed, is naar het oordeel van de Raad een gevolg van de door appellante gemaakte keuze en dient daarom voor haar rekening en risico te komen. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het college niet verplicht is om appellante binnen deze looptijd opnieuw een pgb voor een scootmobiel te verlenen en dat het college de daarop gerichte aanvraag terecht heeft afgewezen. Een andere opvatting zou er feitelijk op neer komen dat het college ook de aan de keuze van appellante verbonden extra kosten zou dienen te vergoeden en dit verdraagt zich niet met het aan de Wmo verbonden uitgangspunt dat uit een oogpunt van doelmatigheid slechts aanspraak bestaat op de goedkoopste adequate voorziening.

4.3.

In de omstandigheid dat de 45 km auto inmiddels onbruikbaar is en appellante naast de vervoerspas, niet meer over een vervoersvoorziening beschikt, terwijl zij daarop wel is aangewezen, ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ook dit zijn immers gevolgen van de door appellante gemaakte keuze die voor haar rekening en risico dienen te komen.

4.4.

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule is, gelet op wat hiervoor is overwogen, geen sprake.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J.P.A. Boersma en L.M. Tobé als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM