Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4901

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
14/4461 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij meer beperkingen had dan neergelegd in de FML. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4461 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 juli 2014, 14/499 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T. van der Weert.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vastgesteld en volstaat hier met het volgende. Appellant was werkzaam als internationaal vrachtwagenchauffeur. Hij heeft zich op 12 januari 2009 wegens rug- en heupklachten ziek gemeld voor dit werk. Bij besluit op bezwaar van 10 april 2013 is aan appellant met ingang van 10 januari 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 39,55%. Het beroep van appellant tegen dit besluit is bij uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 september 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, registratienummer 13/5784 WIA, heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevochten, in hoger beroep bevestigd.

2.
Bij besluit van 15 april 2013 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de loongerelateerde WGA-uitkering eindigt op 10 maart 2013 en dat hij vanaf deze datum in aanmerking komt voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

3. Op 16 april 2013 heeft appellant, die toen werkzaam was als corveemedewerker, zich ziek gemeld. Bij besluit van 2 mei 2013 is hem een uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend.

4. Op 2 mei 2013 heeft appellant bij het Uwv melding gedaan van een verslechterde gezondheid met ingang van 1 april 2013. Appellant is op 26 augustus 2013 onderzocht door de verzekeringsarts, die in zijn rapport van 30 augustus 2013 heeft geconcludeerd dat er beperkingen zijn in het houdings- en bewegingsapparaat en verminderd gehoor. De verzekeringsarts heeft de beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), geldig vanaf 16 april 2013. Ontvangen informatie van de orthopedisch chirurg

A.F.W. Barnaart van 12 september 2013 heeft de verzekeringsarts blijkens zijn rapport van

20 september 2013 geen aanleiding gegeven aanvullende beperkingen aan te nemen. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd die appellant met de vastgelegde beperkingen kan verrichten en in zijn rapport van 25 september 2013 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 31,50%. Bij besluit van 25 september 2013 is de

WGA-loonaanvullingsuitkering van appellant met ingang van 26 november 2013 beëindigd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

5. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar tegen de besluiten van 15 april 2013 en 25 september 2013 het dossier bestudeerd, kennis genomen van het door appellant ingebrachte rapport van medisch adviseur D. Sok van 17 oktober 2013 en de hoorzitting met appellant bijgewoond. In zijn rapport van 17 december 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de FML op enkele punten aangepast moet worden en dat deze geldt op zowel 10 maart 2013 als 26 november 2013. Hij heeft de toelichting dat appellant volledig beperkt is bij knielen en hurken verwijderd, omdat appellant daarmee niet eens in staat wordt geacht iets van de grond op te rapen, wat niet correct is. Hij heeft op 3 januari 2014 de FML aangepast. Op basis van deze FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nieuwe functies geselecteerd. In zijn rapport van

6 januari 2014 heeft hij per 10 maart 2013 de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (samenstellen) (sbc-code 111180), snackbereider (handmatig) (sbc-code 111071) en samensteller kunststof en rubberindustrie (sbc-code 271130), resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van 37,3%. Per 26 november 2013 is de schatting gebaseerd op de functies productiemedewerker industrie (samenstellen) (sbc-code 11180), machinaal metaalbewerker (excl. bankwerk) (sbc-code 264122) en samensteller kunststof en rubberindustrie (sbc-code 271130), resulterend in een mate van arbeidsongeschiktheid van 33,87%. Bij besluit van 20 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de besluiten van 15 april 2013 en 25 september 2013 ongegrond verklaard.

6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, samengevat, het volgende overwogen. De gedingstukken geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van beide data in geding. Appellant heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij op die data meer beperkingen had. De informatie van de orthopedisch chirurg Barnaart van 12 september 2013, de rapporten van orthopedisch chirurg R.P. Karthaus van

6 juli 2011 en 17 maart 2013 en het rapport van medisch adviseur Sok van 13 maart 2014 zijn niet toereikend om de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen beperkingen niet te volgen. Deze heeft mede op grond van informatie van Barnaart aangegeven dat appellant niet volledig beperkt is wat betreft knielen en hurken, omdat het niet juist is dat hij niet in staat kan worden geacht om iets van de grond op te rapen. In het rapport van

13 mei 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daaraan toegevoegd dat de door Barnaart en de verzekeringsarts geconstateerde spierkrachtverbetering mede aanleiding is geweest om appellant op dit punt niet meer volledig beperkt te achten. Ter zitting heeft het Uwv toegelicht dat verbetering van spierkracht tot gevolg heeft dat de kans dat de heup uit de kom schiet afneemt. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich aangesloten bij het oordeel van de verzekeringsarts dat appellant mede gezien zijn postuur in staat moet zijn 10 kg te tillen in de normfrequentie. Barnaart en Karthaus laten zich niet uit over tillen en dragen. In het rapport van 6 juli 2011 geeft Karthaus hiervoor wel beperkingen, maar deze informatie ziet niet op de beide data in geding en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze beperkingen toen nog van toepassing waren.

6.1.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van

6 januari 2014, gelezen in samenhang met zijn rapport van 16 mei 2014, afdoende heeft gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde data. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende aannemelijk weerlegd wat daarover door appellant in beroep is aangevoerd in de rapporten van 13 maart 2014 en

21 april 2014 van Sok en in het rapport van 2 april 2014 van registerarbeidsdeskundige

R. van de Kamer.

7. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft op beide data in geding meer beperkingen dan is aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit het expertiserapport van Karthaus van 6 juli 2011 en zijn aanvullende rapport van 9 maart 2012 blijkt dat deze van oordeel is dat knielen en hurken volledig beperkt zijn in verband met een status na totale heupatroplastiek met matig resultaat, gezien het risico op luxeren. Karthaus heeft aangegeven dat deze beperkingen blijvend zijn en dat de toestand van de heup niet zal verbeteren, maar verslechteren. Ter onderbouwing heeft appellant een rapport van Karthaus van 19 december 2014 overlegd en een daarop gebaseerd advies van Sok van

23 januari 2015.

7.1.

Ten aanzien van de arbeidskundige aspecten heeft appellant gewezen op de in beroep overgelegde rapporten van Sok van 13 maart 2014 en 21 april 2014 en het rapport van Van de Kamer van 2 april 2014. Beiden hebben geconcludeerd dat de geduide functies voor appellant niet passend zijn en hebben dit uitgebreid gemotiveerd. Appellant handhaaft dit standpunt en is van mening dat de rechtbank beter had moeten motiveren waarom zij geen waarde hecht aan de rapporten van Sok en Van de Kamer.

8. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

8.1.

Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij op de data in geding, 10 maart 2013 en 26 november 2013, meer beperkingen had dan neergelegd in de FML van 3 januari 2014. Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit worden onderschreven. In hoger beroep spitst het geschil zich toe op de beperkingen van appellant bij knielen en hurken wegens (de gevolgen van) de heupprothese aan de rechterkant. In de FML van 3 januari 2014 is bij item 4.22, Knielen of hurken, vermeld: ‘beperkt, kan niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond bereiken’, terwijl appellant van mening is dat hij in het geheel niet kan knielen of hurken. Uit de onder 7 genoemde rapporten van Karthaus en Sok kan een zo vergaande beperking echter niet worden afgeleid. Karthaus stelt in zijn rapport van 9 maart 2012, dat is uitgebracht in de procedure die heeft geleid tot de onder 1 vermelde uitspaak van de rechtbank Overijssel van 30 september 2013, dat de frequentie waarin appellant zou kunnen knielen en hurken moet worden aangegeven als volledig beperkt c.q. niet toegestaan. Hij baseert dit op het risico dat bij een verminderde kracht van de spieren rondom de heup er bij bewegingen als knielen en hurken een flink groot risico is tot uit de kom schieten van de heupprothese. Karthaus is van mening dat uit de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 30 november 2010 en 28 oktober 2011 onvoldoende naar voren komt dat zij rekening hebben gehouden met de situatie van een heupprothese rechts en een verminderde kracht van de spieren rondom de rechterheup en dat daarom in de FML van

30 november 2010 ten onrechte is vermeld dat appellant tot vijf keer per uur kan knielen of hurken. Uit de rapporten van de verzekeringsarts van 20 september 2013 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 december 2013 en 13 mei 2014 in de onderhavige procedure blijkt echter dat zij rekening hebben gehouden met een door de orthopedisch chirurg Barnaart in juli 2013 geconstateerde verbeterde, zij het nog niet genormaliseerde, spierkracht. De conclusie van Karthaus in zijn rapport van 9 maart 2012 kan daarom niet zonder meer worden betrokken bij de beoordeling hier in geding, te minder omdat Karthaus ten behoeve van dit rapport appellant niet heeft onderzocht. Karthaus heeft voorts in zijn rapport van 19 december 2014 in de beperkingenlijst vermeld dat knielen en hurken ernstig beperkt is, maar niet volledig beperkt. Dit sluit aan bij de in aanduiding in de FML van

3 januari 2014 dat appellant niet of nauwelijks knielend of hurkend met de handen de grond kan bereiken. Het rapport van Sok van 23 januari 2015 werpt geen ander licht op de zaak. Dit geldt ook voor de verwachting van Karthaus dat de toestand van de heup in de toekomst zal verslechteren, nu die verwachting niet ziet op de beperkingen ten tijde van de data hier in geding.

8.2.

Ten aanzien van de arbeidskundige aspecten heeft appellant allereerst aangevoerd dat de functie samensteller kunststof en rubberindustrie niet passend is vanwege zijn beperkingen bij knielen en hurken. In het Resultaat functiebeoordeling is bij dit item als signalering vermeld dat tijdens drie werkuren twee maal ongeveer één minuut achtereen geknield of gehurkt moet worden bij het in en uit een stelling nemen van componenten inclusief kunststof bakken. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevraagd of appellant vanuit medisch perspectief in staat mag worden geacht om zes maal daags componenten inclusief kunststof bakken onder uit een stelling kan nemen. Deze gaf aan daartegen geen bezwaar te hebben, waarbij meespeelt dat bij het bereiken van een lage stelling niet volledig hoeft te worden geknield of gehurkt. Gelet hierop heeft de arbeidskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 januari 2014 geconcludeerd dat deze signalering niet bezwaarlijk is. Daarmee is de geschiktheid van deze functie op dit aspect voldoende gemotiveerd. De opmerking van Van de Kamer in zijn rapport van 2 april 2014 dat hij nergens heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een ‘lage stelling’ is onvoldoende om aan de informatie hierover van de arbeidskundige bezwaar en beroep te twijfelen.

8.3.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de functies productiemedewerker industrie, snackbereider en machinaal metaalbewerker in verband met de geluidsbelasting niet geschikt zijn, omdat hij vanwege zijn gehoorproblemen niet in een lawaaiige omgeving mag werken. Naar aanleiding van dezelfde stelling van appellant in de onder 1 genoemde procedure met registratienummer 13/5784 WIA heeft de Raad in die zaak het onderzoek heropend en het Uwv verzocht om een reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, in overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, op de ook in die zaak door appellant ingebrachte rapporten van Van de Kamer van 2 april 2014 en Sok van 21 april 2014. In een rapport van

14 september 2015 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, op basis van ingewonnen informatie bij een audioloog en een audicien en na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geconcludeerd dat appellant, voor zover de noodzaak zich in de geduide functies voordoet, daarin met een juiste voorziening (een op de hoortoestellen en de uitvoerende productiearbeid afgestemde gehoorbescherming) kan werken. Desgewenst is een arbeidssituatie te realiseren waarin appellant als hoortoesteldrager ook met gehoorbescherming kan communiceren (voor zover als nodig), zonder bezwaarlijke geluidsbelasting en bezwaarlijke piekgeluiden. De Raad heeft in de onder 1 genoemde uitspraak geoordeeld dat in het rapport van 14 september 2015 afdoende is gemotiveerd dat appellant in de geduide functies gebruik kan maken van een - voor hem noodzakelijk - hoorapparaat en dat er reële mogelijkheden zijn om daarbij, voor zover nodig, een adequate gehoorbescherming te bieden waarbij nog mondelinge communicatie mogelijk is. De antwoorden van de geraadpleegde audioloog en audicien bieden daarvoor voldoende basis, waaraan niet afdoet dat beiden aangeven dat er op de gehoorproblematiek en werksituatie afgestemd maatwerk moet worden geleverd. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep terecht mee laten wegen dat de geduide functies geen kenmerkende geluidsbelasting kennen en dat in geen van de functies sprake is van intensief verbaal communiceren. Hetgeen Sok en Van de Kamer in reactie op het rapport van 14 september 2015 bij brieven van

24 september 2015 en 8 oktober 2015 hebben aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel. Dit oordeel geldt eveneens voor de functies die in de onderhavige procedure aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat de functie machinaal metaalbewerker in het rapport van 14 september 2015 weliswaar niet expliciet is besproken, maar dat in deze functie evenmin sprake is van een kenmerkende geluidsbelasting en intensief verbaal communiceren, zodat de conclusies van dit rapport evenzeer voor deze functie opgaan.

9. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

10. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en E. Dijt en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) M. Crum

UM