Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4853

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
31-12-2015
Zaaknummer
15-3467 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering WW-uitkering en boete. Het Uwv heeft de brief van appellant van 8 april 2014 terecht niet als bezwaarschrift aangemerkt. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de brief van 8 april 2014 de in 5.1 genoemde elementen niet bevat. Uit deze brief volgt niet dat en waarom appellant het niet eens is met de besluiten van 4 april 2014. Ten aanzien van het buiten de bezwaartermijn ingediende bezwaarschrift van 11 juni 2014 zijn door appellant in hoger beroep geen gronden aangevoerd die zien op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Verwezen wordt naar de motivering van de rechtbank. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld is niet gebleken dat appellant zich niet eerder tot een advocaat had kunnen wenden. Gelet ook op 5.2 heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/22
AB 2016/182 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3467 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 april 2015, 14/5482 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 23 december 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.L.M. Vreeswijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Appellant is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft appellant met ingang van 15 april 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2.

Bij brief van 27 maart 2014 (met kenmerk: 2244.85.878, Zaaknummer 1742035), ondertekend door een handhavingsdeskundige van de afdeling Handhaving Amsterdam, is appellant op de hoogte gesteld van het voornemen van het Uwv om hem een boete op te leggen en is hij in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Appellant heeft volgens de zogenoemde KCC contacthistorie van het Uwv op 1 april 2014 telefonisch contact gehad met de betreffende handhavingsdeskundige. Uit de contacthistorie blijkt dat appellant heeft aangevoerd dat hij het heel erg moeilijk heeft en erg krap bij kas zit en dat de betreffende handhavingsdeskundige dit zal meenemen in de beslissing.

1.3.

Bij besluiten van 4 april 2014 (beide met kenmerk: 2244.85.878, Zaaknummer 1742035) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant herzien met ingang van 13 mei 2015, van hem aan onverschuldigd betaalde uitkering in de periode van 13 mei 2013 tot en met

3 november 2013 een bedrag van € 732,86 teruggevorderd en een boete opgelegd van

€ 732,86.

1.4.

Het Uwv heeft op 10 april 2014 een brief van appellant ontvangen, gedateerd op

8 april 2014, gericht aan Uwv, Handhaving Amsterdam, t.a.v. de betreffende handhavingsdeskundige. De tekst van de brief luidt: "Geachte mevr. De informatie in Uw brief, met kenmerk 224485878, is voor mij niet duidelijk. Graag wil ik een gesprek met u aanvragen.".

1.5.

Het Uwv heeft op 11 juni 2014 een bezwaarschrift ontvangen van mr. Vreeswijk, gericht aan de afdeling Bezwaar en Beroep, onder verwijzing naar de brief van 8 april 2014 waarin

- volgens Vreeswijk - al dan niet op nader aan te voeren gronden reeds bewaar is gemaakt.

2. Bij beslissing op bezwaar van 14 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift van 11 juni 2014 buiten de bezwaartermijn is ingediend en geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het Uwv heeft hierbij in aanmerking genomen dat de brief van 8 april 2014 niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift zodat de brief van 11 juni 2014 ook niet als een onderbouwing daarvan kan worden gezien.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief van 8 april 2014 geen concrete bezwaargrond bevat en dat daaruit slechts blijkt dat appellant de informatie in de brief, met kenmerk 2244.85.878, niet heeft begrepen en hij hierover een gesprek wilde voeren. Daaruit volgt volgens de rechtbank niet zonder meer dat hij het niet eens was met de besluiten van 4 april 2014. Een gesprek kan ook buiten de bezwaartermijn worden aangevraagd. Daarnaast heeft appellant de besluiten niet bijgevoegd, is de term “bezwaar” of een vergelijkbare aanduiding niet gebruikt en is de brief niet geadresseerd aan de afdeling Bezwaar en Beroep. Het Uwv heeft de brief van 8 april 2014 dan ook niet als (mogelijk) bezwaarschrift in behandeling behoeven te nemen en was ook niet gehouden om appellant een nadere termijn te stellen om alsnog gronden tegen de primaire besluiten in te dienen.

3.2.

Ten aanzien van het door de advocaat van appellant ingediende bezwaarschrift van

11 juni 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze buiten de bezwaartermijn is ontvangen en dat er geen omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar moet worden geacht. Dat appellant problemen had en de Nederlandse taal slecht beheerst, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, omdat appellant tijdig hulp had kunnen en moeten zoeken bij het indienen van een bezwaarschrift en het begrijpen van de inhoud van de besluiten van het Uwv. Niet gebleken is dat hij zich niet eerder tot een advocaat had kunnen wenden. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat appellant zelf actie had moeten ondernemen toen hij geen ontvangstbevestiging of reactie kreeg op zijn brief van 8 april 2014 en de bezwaartermijn dreigde te verstrijken.

4.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de tekst van de brief en onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden van het geval. Het kenmerk van de besluiten van 4 april 2014 werd immers genoemd in de brief van 8 april 2014, er stond niet in dat appellant het eens was met de besluiten en de brief is ontvangen binnen de bezwaartermijn. Deze omstandigheden hadden het Uwv ertoe moeten bewegen om bij appellant te informeren wat zijn bedoeling was met de brief of om hem in ieder geval een termijn te geven voor het aanvullen van de gronden. Het bezwaar tegen de besluiten van 4 april 2014 is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door het Uwv.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Hieraan wordt toegevoegd dat op grond van artikel 6:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het maken van bezwaar geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid van de Awb wordt het bezwaarschrift ondertekend en bevat dit ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht en d. de gronden van het bezwaar. Artikel 6:6 van de Awb bepaalt onder meer dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar.

5.2.

Allereerst dient te worden beoordeeld of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv de brief van appellant van 8 april 2014 terecht niet als bezwaarschrift heeft aangemerkt. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de brief van 8 april 2014 de in 5.1 genoemde elementen niet bevat. Uit deze brief volgt niet dat en waarom appellant het niet eens is met de besluiten van 4 april 2014. Dat de brief verwijst naar kenmerk 2244.85.878 maakt dat niet anders, nu dat nummer in alle correspondentie van het Uwv aan appellant is vermeld. De handhavingsdeskundige aan wie de brief was gericht, had gelet op de tekst van de brief in combinatie met de omstandigheden van het geval, dan ook niet kunnen begrijpen dat appellant het niet eens was met de besluiten van 4 april 2014. Het aanvragen van een gesprek bij de afdeling Handhaving staat los van een eventueel mogelijk bezwaar bij de afdeling Bezwaar en Beroep. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het Uwv de brief van appellant niet heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de besluiten van

4 april 2014.

5.3.

Ten aanzien van het buiten de bezwaartermijn ingediende bezwaarschrift van

11 juni 2014 zijn door appellant in hoger beroep geen gronden aangevoerd die zien op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Verwezen wordt naar de motivering van de rechtbank. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld is niet gebleken dat appellant zich niet eerder tot een advocaat had kunnen wenden. Gelet ook op 5.2 heeft de rechtbank het beroep terecht ongegrond verklaard.

5.4.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) V. van Rij

SU