Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
14/6793 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op een redelijke grond. Nu appellant ook na de uitdrukkelijke waarschuwing opnieuw diverse malen de locatie buiten openingstijden heeft bezocht en daarmee het gevaar voor de omgeving en hemzelf heeft veronachtzaamd, mocht het college na het tweede verhoor van appellant door Interseco op 17 december 2012 concluderen dat het vertrouwen in appellant onherstelbaar was aangetast. Hieruit volgt dat aan het college de bevoegdheid toekwam om op grond van artikel 8:4, eerste lid, van de CAO-NU tot ontslag over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6793 AW

Datum uitspraak: 17 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

4 november 2014, 13/9251 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Delft (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. van der Heide-Boertien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heide-Boertien. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H.J. ter Meulen, ir. J.G. Stokkers en drs. J.M. Vermolen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 1 oktober 2000 in dienst bij de Technische Universiteit Delft (TU Delft), laatstelijk in de functie van medewerker afval en gevaarlijke stoffen.

1.2.

Appellant werkte op de [locatie] (locatie), waar onder meer explosieven en chemicaliën zijn opgeslagen. Appellant moest ook buiten diensttijd oproepbaar en beschikbaar zijn voor het verrichten van zogeheten consignatiediensten. Hij beschikte daarvoor over de sleutel van het terrein, een sleutel om het alarm in en uit te schakelen en over sleutels die toegang geven tot alle gebouwen op de genoemde locatie.

1.3.

Het college heeft een onderzoek laten instellen door Interseco Investigations B.V. (Interseco) naar de achtergronden van een inbraak en brandmelding op 27 maart 2012. Ook is Interseco verzocht overige onrechtmatigheden bij het onderzoek te betrekken. Daarvoor is de locatie onderzocht en zijn gesprekken gevoerd met medewerkers. Met appellant zijn gesprekken gevoerd op 18 september en 17 december 2012. In afwachting van de uitkomsten van het onderzoek heeft het college appellant op non-actief gesteld.

1.4.

Tijdens het onderzoek heeft het hoofd/transitieleider aan de medewerkers [van de locatie] bij e-mails van 6 november 2012 kenbaar gemaakt dat de locatie buiten werktijd niet zonder reden mag worden betreden. Bij e-mail van 14 november 2012 heeft het hoofd/transitieleider opnieuw aan de medewerkers meegedeeld dat toegang buiten de reguliere openingstijden uitsluitend is voorbehouden aan de geconsigneerde. Zij heeft daarbij vermeld dat het gaat om bestaande afspraken.

1.5.

Op 23 januari 2013 heeft Interseco een rapport uitgebracht en daarbij onder meer geconcludeerd dat appellant gedurende het jaar 2012 structureel buiten reguliere openings- en werktijden op de locatie heeft verbleven. Dit zonder toestemming van de werkgever en op meerdere momenten in het bijzijn van derden. Volgens eigen zeggen om geen bijzondere reden, maar om te ‘chillen’ of privéwerkzaamheden te verrichten. Voorts heeft Interseco geconcludeerd dat, ook nadat het hoofd/transitieleider het verbod in november 2012 nog eens schriftelijk onder de aandacht had gebracht, dit voor appellant geen reden was om zijn gedrag te veranderen. Het verbod werd meerdere malen genegeerd.

1.6.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant schriftelijk heeft gereageerd, heeft het college aan appellant bij besluit van 3 april 2013 ontslag verleend op grond van artikel 8:4, eerste lid, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Nederlandse Universiteiten (CAO-NU). Dit ontslag is verleend per 1 augustus 2013. Hieraan ligt ten grondslag dat sprake is van een zodanige vertrouwensbreuk dat de aanstelling niet langer in stand kan blijven. Uit het rapport van Interseco komt namelijk naar voren dat appellant, ondanks het verbod op het ongeoorloofd verblijven op het terrein van de TU Delft, zijn gedrag op dit punt niet heeft gewijzigd, ook niet nadat hij daartoe tweemaal schriftelijk is gewaarschuwd. Aanwezigheid zonder noodzaak is volgens het college niet wenselijk en zelfs gevaarlijk, gezien de aard van de locatie waar onder andere chemicaliën en explosieven zijn opgeslagen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 oktober 2013 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan de door appellant gehanteerde ontslaggrond (“ontslag op een redelijke grond”) worden toegepast als voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd, omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding (uitspraak van 22 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:137) en/of als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198).

4.2.

Op basis van de gedingstukken, waaronder het rapport van Interseco, de verklaringen van appellant en de in het zogenoemde logboek opgenomen aan- en afmeldgegevens van appellant, staat vast dat hij in de periode na 14 november 2012 de locatie diverse malen buiten openingstijden heeft betreden, de laatste keer op 5 december 2012.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het bezoeken van de locatie buiten openingstijden usance was en werd gedoogd. Ook heeft hij betoogd dat uit de waarschuwing in de e-mails van

6 november en 14 november 2012 niet kan worden opgemaakt dat de gedoogpraktijk niet langer werd voortgezet. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het verslag van het verhoor van appellant door Interseco blijkt dat appellant zich bewust was van het gevaar van de aanwezigheid op de locatie buiten openingstijden, vanwege de opslag van chemicaliën en explosieven. Voor zover al sprake was van een gedoogpraktijk in de periode voorafgaand aan de waarschuwingen, had het voor appellant duidelijk moeten en kunnen zijn dat die praktijk niet werd voortgezet. Appellant heeft ter zitting bij de Raad namelijk erkend dat de overige medewerkers aan wie de e-mails waren gericht zich na de verzending van de e-mails niet langer schuldig hebben gemaakt aan het overtreden van het verbod op het bezoeken van de locatie buiten openingstijden. Dat appellant door zijn gesteldheid geen kennis kon nemen van de waarschuwing, zoals hij heeft aangevoerd, is niet aannemelijk nu aan dit betoog geen onderbouwing is gegeven door middel van medische of andere gegevens.

4.4.

Nu appellant ook na de uitdrukkelijke waarschuwing opnieuw diverse malen de locatie buiten openingstijden heeft bezocht en daarmee het gevaar voor de omgeving en hemzelf heeft veronachtzaamd, mocht het college na het tweede verhoor van appellant door Interseco op 17 december 2012 concluderen dat het vertrouwen in appellant onherstelbaar was aangetast. Hieruit volgt dat aan het college de bevoegdheid toekwam om op grond van artikel 8:4, eerste lid, van de CAO-NU tot ontslag over te gaan.

4.5.

Ook tegen de leidinggevende zijn maatregelen genomen. Daarmee heeft het college, anders dan appellant heeft aangevoerd, bij de gebruikmaking van zijn ontslagbevoegdheid niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Appellant heeft verder nog gewezen op zijn persoonlijke omstandigheden. Die waren naar het oordeel van de Raad, afgewogen tegen het belang dat het college mocht hechten aan een betrouwbare functievervulling, niet zodanig dat van ontslagverlening had moeten worden afgezien.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en C.H. Bangma en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2015.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) B. Fotchind

HD