Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
14/2947 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval. Geen schadevergoeding. IBT-oefening. In het feit dat de tegenspeler van appellante zich opnieuw niet hield aan de instructies, hadden de IBT-docenten op zichzelf geen aanleiding hoeven zien om in te grijpen. Zoals ter zitting namens de korpschef overtuigend is toegelicht, dient de evaluatie van de oefening ervoor om de gang van zaken tijdens de oefening onderling te bespreken. Daarbij kan ook aan de orde komen dat een deelnemer zich niet aan hun rol en/of de gegeven instructie heeft gehouden. Met de korpschef en de rechtbank concludeert de Raad dat het ongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden, met onvoorziene en ernstige gevolgen voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/31
TAR 2016/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2947 AW

Datum uitspraak: 24 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

29 april 2014, 13/1680 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. van Vlooten hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Vlooten. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.C. de Haan en R.A. van Eijsden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als hoofdagent in het district Heuvelrug, bureau Veenendaal.

1.2.

Op 3 februari 2011 heeft appellante meegedaan aan een Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) op een locatie in Veenendaal. Deze training werd gegeven door twee IBT-docenten, waarbij gebruik is gemaakt van jongeren als tegenspelers. De training vond plaats in en rondom een café. Van deze training bestaan camerabeelden. Appellante heeft tijdens de training een tegenspeler bij het café weggetrokken en aangehouden. Tijdens deze aanhouding heeft een ongeval plaatsgevonden waarbij appellante is gevallen en haar been op meerdere plaatsen heeft gebroken. Dit ongeval is bij besluit van 10 maart 2011 aangemerkt als dienstongeval.

1.3.

Appellante heeft de korpschef op 6 juni 2011 aansprakelijk gesteld voor de schade die niet wordt vergoed op grond van de van toepassing zijnde rechtspositieregelingen. Bij besluit van 3 oktober 2011 is geweigerd om aan appellante deze schade te vergoeden. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de zorgplicht niet is geschonden. Voor het (laten) uitvoeren van de oefening is niet meer risico genomen dan redelijkerwijs verantwoord was en het ongeval is te wijten aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden, met onvoorzien letsel tot gevolg. Bij besluit van 29 januari 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak op hierna te bespreken gronden bestreden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak heeft het bestuursorgaan tegenover de ambtenaar een zorgplicht (uitspraak van 22 juni 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072). De zorgplicht houdt in dat het bestuursorgaan de werkzaamheden van de ambtenaar zodanig moet inrichten, en voor het verrichten daarvan zodanige maatregelen moet treffen en aanwijzingen moet geven als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. De ambtenaar heeft recht op vergoeding van deze schade, ook voor zover rechtspositionele regelingen daarin niet voorzien. Geen recht op vergoeding bestaat indien het bestuursorgaan aantoont dat het zijn zorgplicht is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de korpschef zijn zorgplicht heeft geschonden door het inzetten van ongeschikte tegenspelers. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hierbij is van betekenis dat een IBT tot doel heeft om een zo realistisch mogelijke situatie te creëren. De korpschef had de inzet van jongeren in de leeftijd van veertien en vijftien jaar dan ook niet bij voorbaat hoeven uitsluiten. Daarbij komt dat de jongeren voorafgaand aan de training waren voorzien van uitleg en instructies. De tegenspeler van appellante had bovendien een aanvullende instructie gekregen, naar aanleiding van zijn tegenspel bij eerdere oefeningen.

4.3.

Voorts heeft appellante betoogd dat een gevaarzettende situatie ontstond, waarbij de IBT-docenten hadden moeten ingrijpen. Zij heeft erop gewezen dat de tegenspeler bij eerdere oefeningen op dezelfde dag was gewaarschuwd voor zijn gedrag. Dit betoog slaagt evenmin. De IBT-docenten hebben de oefening van zeer dichtbij gevolgd. Uit de camerabeelden blijkt niet dat de tegenspeler zich zodanig agressief of gewelddadig gedroeg dat de IBT-docenten de oefening in een eerder stadium hadden moeten stopzetten. Het was daarom voor hen niet te voorzien dat appellante lichamelijk letsel zou oplopen. In het feit dat de tegenspeler van appellante zich opnieuw niet hield aan de instructies, hadden de IBT-docenten op zichzelf geen aanleiding hoeven zien om in te grijpen. Zoals ter zitting namens de korpschef overtuigend is toegelicht, dient de evaluatie van de oefening ervoor om de gang van zaken tijdens de oefening onderling te bespreken. Daarbij kan ook aan de orde komen dat een deelnemer zich niet aan hun rol en/of de gegeven instructie heeft gehouden. Met de korpschef en de rechtbank concludeert de Raad dat het ongeval te wijten is aan een ongelukkige samenloop van omstandigheden, met onvoorziene en ernstige gevolgen voor appellante.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Fotchind

HD