Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
14/1387 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Niet onzorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1387 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

12 februari 2014, 13/1992 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft tevens als partij deelgenomen [naam besloten vennootschap], gevestigd

te [vestigingsplaats] (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.M.J. Offermans, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 20 augustus 2015 heeft H.J.A. Aerts meegedeeld dat hij op verzoek van mr. Offermans, appellante in deze verdere procedure als gemachtigde rechtsbijstandverlener zal bijstaan.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde Aerts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs. Belanghebbende is, zoals schriftelijk is bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam in twee dienstverbanden als schoonmaakster en als vrijgesteld voorwerkster gedurende (totaal) gemiddeld 39,98 uur per week. Voor het werk van schoonmaakster heeft zij zich op 22 november 2010 ziek gemeld wegens lichamelijke klachten. Het werk van vrijgesteld voorwerkster heeft zij tot maart 2011 verricht.

1.2.

Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 december 2012 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 7 december 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Daaraan lag het standpunt ten grondslag dat appellante met haar medische beperkingen, zoals neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 november 2012 geschikt is voor werkzaamheden in passende functies.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 16 mei 2013 (bestreden besluit) onder verwijzing naar een rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben de informatie van de behandelend reumatoloog betrokken en meegewogen in hun beoordeling. Niet is gebleken dat die informatie door de verzekeringsartsen op een onjuiste wijze is uitgelegd. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de arbeidsdeskundigen voldoende inzichtelijk en deugdelijk hebben gemotiveerd dat de voor appellante geselecteerde voorbeeldfuncties die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, passend zijn.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen de informatie van 30 oktober 2012 van de reumatoloog op correcte wijze hebben meegewogen in hun beoordeling. In dat verband heeft zij het volgende naar voren gebracht Appellante heeft al jarenlange bestaande klachten van het houdings- en bewegingsapparaat. Met name de lichamelijke klachten geven forse bewegingsbeperkingen waardoor zij haar eigen huishouding niet meer zelfstandig kan doen. Voorts heeft appellante gesteld dat haar vermoeidheidsklachten en psychische klachten onvoldoende onderkend zijn. De opgestelde FML komt onvoldoende tegemoet komt aan haar pijnklachten. Zij heeft aangegeven dat meer en sterkere beperkingen dienen te worden aan genomen in de rubrieken “aanpassing aan fysieke omgevingseisen”, “dynamische handelingen”, ”statische houdingen” en “werktijden” van de FML. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij nog een brief van 16 oktober 2015 van T.L.T.A. Jansen, reumatoloog, overgelegd. Voor wat betreft de arbeidskundige grondslag heeft appellante aangegeven dat de functies wegens haar klachten niet geschikt zijn. Tevens zijn de functies niet passend, omdat zij geen technische of administratieve (voor)opleiding heeft genoten. Ook voldoet appellante niet aan het opleidingsniveau, nu zij een MAVO-diploma heeft behaald en die vorm van onderwijs anno 2012 geen toereikende vooropleiding is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet onzorgvuldig is geweest en dat er geen reden is voor twijfel aan het oordeel van de verzekeringsartsen. De verzekeringsarts heeft appellante gezien en onderzocht op het spreekuur, dossieronderzoek verricht en informatie van de reumatoloog betrokken in de beoordeling. De brief van 30 oktober 2012 van de reumatoloog waarnaar appellante in hoger beroep naar heeft verwezen, is geen aanleiding om de FML aan te scherpen. Uit het rapport van 12 november 2012 blijkt dat de verzekeringsarts bekend is met deze brief van de reumatoloog, nu deze arts een samenvatting van deze brief heeft op opgenomen in het rapport van 12 november 2012. De door deze verzekeringsarts vastgestelde beperkingen, zoals neergelegd in de FML van 12 november 2012, zijn inzichtelijk terug te voeren op de bevindingen van de reumatoloog als ook op de klachten van appellante. Voorts wordt opgemerkt dat het tot de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) behoort om uit de beschikbare medische informatie objectiveerbare beperkingen vast te stellen voor het verrichten van arbeid. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanleiding gezien om meer, dan wel andere beperkingen aan te nemen en heeft zich kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde FML. Het standpunt van deze verzekeringsartsen acht de Raad afdoende onderbouwd en overtuigend. Op de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van 16 oktober 2015 van reumatoloog Jansen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapport van

5 november 2015, gelet op de gezondheidstoestand van appellante op de in het geding zijnde datum, afdoende gereageerd. De conclusie van dit rapport wordt onderschreven. Nu geen aanleiding bestaat de verzekeringsgeneeskundige grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden of in twijfel te trekken, wordt geen reden gezien een onafhankelijke deskundige te benoemen zoals namens appellante is verzocht.

4.2.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante. Dit is met de rapporten van de arbeidsdeskundigen (bezwaar en beroep) van het Uwv van 30 november 2012,

23 januari 2013 zie rapport en 7 mei 2013, voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. Dat appellante technisch noch administratief is onderlegd maakt evenmin dat de functies niet geschikt zouden zijn. In de geselecteerde functies is geen specifieke technische of administratieve vaardigheid vereist. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 8 mei 2013 vermeld dat het door de arbeidsdeskundige gestelde opleidingsniveau 4 wordt onderschreven gelet op haar MAVO-diploma, haar niet afgeronde studie Kweekschool en diverse certificaten in de schoonmaakbranche. Met de opleiding voldoet appellante aan het functie- en opleidingsniveau 3 dat in de geselecteerde functies (maximaal) wordt gevraagd.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Dit betekent dat er geen grond is voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek van appellante tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter, in tegenwoordigheid

van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar

op 23 december 2015.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) N. van Rooijen

MK