Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
14/6027 BABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder omdat bij appellant niet is gebleken van een ernstige loopbeperking waardoor hij minder dan 100 meter lopend kan afleggen. De (aanvullende) medische adviezen van de GGD zijn voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6027 BABW

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 september 2014, 13/4309 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Nieuw-West van Amsterdam, als rechtsopvolger van het dagelijks bestuur van stadsdeel Nieuw-West van Amsterdam(algemeen bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. el Hannouche, advocaat, hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).

De Afdeling heeft het hoger beroepschrift doorgezonden naar de Raad.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. El Hannouche. Het algemeen bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft het algemeen bestuur de aanvraag van appellant om een gehandicaptenparkeerkaart type bestuurder afgewezen op de grond dat bij appellant niet is gebleken van een ernstige loopbeperking waardoor hij minder dan 100 meter lopend kan afleggen. Aan het besluit heeft het algemeen bestuur een medisch advies van de GGD van

18 december 2012 en twee aanvullende medische adviezen van de GGD van 1 februari 2013 en 19 februari 2013 ten grondslag gelegd.

1.2.

Naar aanleiding van het tegen het besluit van 21 februari 2013 gemaakte bezwaar, heeft het algemeen bestuur een aanvullend medisch advies van 19 april 2013 ingewonnen bij de GGD.

1.3.

Bij besluit van 2 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur het bezwaar onder verwijzing naar het aanvullend medisch advies van 19 april 2013 ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een Rapportage richtinggevend re-integratieadvies van 18 maart 2014 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) overgelegd (re-integratieadvies). Naar aanleiding hiervan heeft de GGD op 10 april 2014 een aanvullend medisch advies uitgebracht.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, hier van belang, overwogen dat de medische adviezen van de GGD voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het door appellant overgelegde re-integratieadvies maakt niet dat moet worden getwijfeld aan de conclusies van de GGD-arts. Het algemeen bestuur kon de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart op de GGD-adviezen baseren.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en aangevoerd dat hij niet in staat is om lopend een afstand van 100 meter in één keer te overbruggen. Appellant heeft hierbij gewezen op het re-integratieadvies waarin is vermeld dat hij ongeveer 80 meter aaneengesloten kan lopen. Verder heeft appellant verzocht om een deskundige te benoemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 49, eerste lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer kan aan een gehandicapte, overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde criteria, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, een gehandicaptenparkeerkaart worden verstrekt.

4.2.

Deze regeling is de Regeling gehandicaptenparkeerkaart (Regeling).

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen en van brommobielen, die ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebben van langdurige aard, waardoor zij - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat zijn zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen, voor een gehandicaptenparkeerkaart in aanmerking komen.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of appellant voldoet aan de voorwaarde dat hij in redelijkheid niet in staat is zelfstandig een afstand van meer dan 100 meter aan één stuk te voet te overbruggen.

4.4.

Uit de (aanvullende) medische adviezen van de GGD komt naar voren dat bij appellant sprake is van een rugaandoening, maar dat geen sprake is van ernstige invaliditeit met een loopbeperking. Er is geen medische indicatie voor een gehandicaptenparkeerkaart, omdat appellant in staat is om 100 meter lopend aan één stuk te overbruggen.

4.5.

De Raad is van oordeel dat de (aanvullende) medische adviezen van de GGD voldoende zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Uit de adviezen blijkt dat de medisch adviseur informatie heeft ingewonnen bij de huisarts van appellant en dat zij gericht lichamelijk onderzoek en observatie van het looppatroon van appellant heeft gedaan. Bij het lichamelijk onderzoek heeft de medisch adviseur volgens haar rapport van 18 december 2012 geen afwijkingen geconstateerd die samengaan met een loopbeperking tot minder dan 100 meter. Bij inspectie van het looppatroon heeft zij een lichte afwijking gezien en een normaal tempo. In haar rapport van 10 april 2014 heeft de medisch adviseur melding gemaakt van de door haar ontvangen brief van 4 december 2012 van de huisarts. In die brief staat dat er bij appellant sprake is van een rugaandoening waarvan een MRI is gemaakt met een duidelijke beschrijving van de gevonden afwijkingen. De huisarts beschrijft vervolgens dat hem geen loopbeperking bekend is bij appellant. Verder zou er volgens de huisarts geen sprake zijn van krachtverlies in de benen. De medisch adviseur heeft gelet op haar onderzoeksbevindingen de loopafstand van appellant geschat op meer dan 500 meter.

4.6.

De mededeling in het door appellant overgelegde re-integratieadvies dat hij ongeveer

80 meter aaneengesloten kan lopen, weegt niet op tegen de in 4.5 genoemde bevindingen, die de medisch adviseur na een zorgvuldig onderzoek heeft gekregen. Niet uit het oog moet worden verloren dat de verzekeringsarts in het kader van re-integratie, anders dan bij een onderzoek in het kader van een gehandicaptenparkeerkaart het onderzoek niet beperkt tot de mogelijke loopafstand, maar een breed onderzoek doet naar de belastbaarheid voor arbeid. In haar commentaar op het re-integratieadvies heeft de medisch adviseur terecht opgemerkt dat uit dat advies niet is af te leiden op grond van welke medische bevindingen en gegevens de verzekeringsarts tot deze conclusie is gekomen. Overigens is het zo dat het re-integratieadvies dateert van meer dan een jaar nadat appellant zijn aanvraag om een gehandicaptenparkeerkaart heeft gedaan.

4.7.

Het algemeen bestuur heeft de GGD-adviezen aan de afwijzing van de gehandicaptenparkeerkaart ten grondslag kunnen leggen.

4.8.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) L.L. van den Ijssel

IJ