Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
14/1551 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1420, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt zich achter het standpunt van het Uwv dat vanaf 15 juli 2010 de verstrekking van uitkering en toeslagen aan appellante in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, omdat sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA van minder dan 35%, daardoor ten onrechte vanaf die datum aan haar uitkering is verstrekt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat er rechtens geen beletsel is voor het Uwv om de WIA-uitkering en toeslagen met terugwerkende kracht per 15 juli 2010 in te trekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1551 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 maart 2014, 13/2834 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 17 juli 2008 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar werk als medewerker debiteurenadministratie voor 40 uur per week.

1.2.

Na de aanvraag in mei 2009 om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellante op 9 juni 2009 onderzocht en vastgesteld dat zij geen benutbare mogelijkheden heeft tot het verrichten van arbeid. Daarbij heeft de verzekeringsarts in het rapport van 10 juni 2009 opgemerkt dat uit de brief van de Turkse psychiater S. [naam psychiater 1] van 15 augustus 2008 kan worden opgemaakt dat appellante lijdt aan een schizofrene stoornis en ook op dat moment nog behandeld wordt door psychiater [naam psychiater 2] in Helmond. Een verkorting van de wachttijd acht de verzekeringsarts echter niet aan de orde omdat er volgens hem nog een geringe kans op herstel bestaat.

1.3.

Appellante heeft op 21 maart 2010 opnieuw een WIA-uitkering aangevraagd. In verband met deze aanvraag is appellante op 12 mei 2010 gezien door een verzekeringsarts van het Uwv. In het rapport van de verzekeringsarts van 27 mei 2010 is vermeld dat contact met appellante niet mogelijk was en dat zij angstig en wantrouwend overkwam. Voorts dat haar functioneren op gezinsniveau en in het sociale leven beperkt was en de familie de huishoudelijke taken had overgenomen. De aangegeven belemmeringen passen bij de eerder genoteerde diagnose. De verzekeringsarts heeft de conclusie getrokken dat er geen benutbare mogelijkheden zijn. Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 15 juli 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij besluit van 16 september 2010 is de loongerelateerde uitkering beëindigd en is aan appellante met ingang van

15 maart 2011 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend. Tevens heeft het Uwv bij besluit van 16 september 2010 aan appellante met ingang van 15 september 2010 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend.

1.4.

Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek waarin psychiater [naam psychiater 1] verdacht is van fraude, bestaande uit het afgeven van valse medische verklaringen, is door het Uwv heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellante. Daartoe is onder meer dossieronderzoek verricht, hebben observaties plaatsgevonden en is appellante in februari 2011 diverse keren verhoord. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 26 juli 2011. Blijkens het in dit rapport opgenomen verslag van het verhoor op 16 februari 2011 heeft appellante onder meer verklaard dat zij vooraf door haar begeleiders werd geïnstrueerd hoe zij zich bij de arts van het Uwv moest gedragen, zodat het beeld overeen zou komen met het ziektebeeld zoals dat eerder door de psychiater was opgetekend. Appellante heeft toegegeven dat zij de arts van het Uwv misleid heeft door te doen alsof zij niet aanspreekbaar was, waardoor deze geen juiste diagnose kon stellen.

1.5.

Het Uwv heeft heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellante. Daartoe is appellante op 19 december 2011 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts en is informatie opgevraagd bij de behandelend sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Appellante heeft tijdens het onderzoek van de verzekeringsarts verteld opgelucht te zijn nu open en eerlijk te kunnen zijn en meegedeeld dat zij destijds gedwongen was zich bij verzekeringsgeneeskundige onderzoeken als een ernstig gestoorde psychiatrische patiënte te gedragen. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 25 januari 2012 vastgesteld dat bij appellante geen sprake is of is geweest van ernstige psychopathologie en dat de destijds ontvangen informatie van psychiater [naam psychiater 1] geen waarde heeft omdat appellante door deze psychiater nooit is gezien. Appellante lijdt aan een zich herstellende aanpassingsstoornis, waardoor nog enkele lichte beperkingen kunnen worden aangenomen. De verzekeringsarts acht het plausibel dat deze beperkingen ook aanwezig zijn geweest op 15 juli 2010. Voorts heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat, ook al stond appellante onder dwang van familieleden, zij tevens in het bezit was van normale geestelijke vermogens en dus in staat was om andere keuzes te maken dan zij heeft gedaan, en ook in staat is geweest de consequenties van haar keuze te overzien. De beperkingen van appellante zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 januari 2012, geldig vanaf 15 juli 2010.

1.6.

Met inachtneming van de FML van 30 januari 2012 heeft de arbeidsdeskundige voor appellante per 15 juli 2010 passende functies geselecteerd en een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 4,28%.

1.7.

Bij besluit van 23 februari 2012 heeft het Uwv het bij 1.3 genoemde toekenningsbesluit van 1 juni 2010 ingetrokken en vastgesteld dat appellante met ingang van 15 juli 2010 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering. Daarbij is overwogen dat de belastbaarheid destijds op verkeerde gronden is ingeschat en dit mede het gevolg is geweest van het door appellante onjuist dan wel onvolledig weergeven van haar gezondheidstoestand. Bij besluit van eveneens 23 februari 2012 heeft het Uwv het bij 1.3 genoemde toekenningsbesluit van

16 september 2010 ingetrokken en vastgesteld dat appellante met ingang van

15 september 2010 geen recht heeft op toeslag op grond van de TW.

1.8.

Bij besluit van 4 april 2012 heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 27.435,46 teruggevorderd aan over de periode van 15 juli 2010 tot en met 29 februari 2012 onverschuldigd betaalde WIA-uitkering en toeslag op grond van de TW. Bij besluit van

27 april 2012 heeft het Uwv de op grond van Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) betaalde tegemoetkoming arbeidsongeschikten ter hoogte van € 336,- van appellante teruggevorderd.

1.9.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen de bij 1.8 genoemde besluiten heeft heronderzoek plaatsgevonden door verzekeringsartsen bezwaar en beroep van het Uwv. In rapporten van 17 december 2012 en 14 februari 2013 is vermeld dat bij de heroverweging mede aandacht is besteed aan in bezwaar ontvangen medische informatie van 9 juni 2012 van behandelaar W. Parsowa en dat de huisarts van appellante heeft meegedeeld geen informatie te kunnen geven over de toestand van appellante op de datum in geding. Geconcludeerd is dat er geen medische gegevens zijn rond de datum in geding, 15 juli 2010, die voldoende betrouwbaar zijn om een indruk te krijgen van de aard en ernst van het medisch toestandsbeeld van appellante. De medische informatie van de psychiaters [naam psychiater 2] en [naam psychiater 1] is niet betrouwbaar gebleken en overigens blijkt dat appellante zich eerst in juni 2011 onder behandeling van een sociaal psychiatrische verpleegkundige van GGZ heeft gesteld. Hieruit is voorts gebleken dat ook in juni 2011 en nadien geen sprake is geweest van een ernstige psychiatrische stoornis. De conclusies van de verzekeringsarts zijn geheel onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van

19 maart 2013 de conclusie van de arbeidsdeskundige onderschreven dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht.

1.10.

Bij besluit van 26 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 23 februari 2012, 4 april 2012 en 27 april 2012 ongegrond verklaard onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 februari 2013 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 maart 2013.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellante ten tijde van het onderzoek in het kader van het einde van de wachttijd haar inlichtingenplicht heeft geschonden door haar gezondheidstoestand onjuist, dan wel onvolledig weer te geven, en dat haar als gevolg daarvan ten onrechte uitkering is verstrekt. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat uit het rapport van opsporingsfunctionaris W. Kroeze, gedateerd 26 juli 2011, en uit het rapport van de verzekeringsarts H.J. Schaap van 25 januari 2012 blijkt dat appellante geen ernstige psychopathologie heeft en dat, volgens haar eigen verklaring, ook nooit heeft gehad, dat haar zwijgzame gedrag op eerdere spreekuren van artsen was gespeeld en dat hetgeen haar begeleiders destijds tijdens de spreekuren vertelden niet waar was. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien de bevindingen van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Het voorgaande brengt volgens de rechtbank mee dat het Uwv de WIA-uitkering met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken. Nu vast staat dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering staat tevens vast dat zij geen recht had op toeslag op grond van de TW en een Wtcg-tegemoetkoming. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is van dringende redenen op grond waarvan afgezien moet worden van de intrekking van de WIA-uitkering en/of de toeslag.

3. Appellante heeft in hoger beroep de door haar in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden gehandhaafd. Zij meent dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar belastbaarheid op basis van door haar verstrekte onjuiste informatie onvolledig dan wel onjuist is ingeschat. Zij stelt dat zij er in het verleden slechter aan toe was en dat het onjuist is de huidige beperkingen toe te rekenen aan het verleden. Ten onrechte is geen rekening gehouden met het feit dat zij destijds werd gedwongen zich op een bepaalde manier te gedragen en niet in staat was tot zelfstandig handelen. Ten slotte meent appellante dat haar ten onrechte niet de cautie is verleend nu tussen de bestuursrechtelijke procedure en de aanhangige strafrechtelijke procedure verband bestaat, en heeft zij in dat verband verwezen naar het arrest van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 september 2011, Hrdalo vs Kroatië, nr. 23272/07 (Hrdalo).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Toetsingskader: algemeen

4.1.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

4.1.2.

In artikel 76, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt, indien: a. als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van artikel 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op uitkering niet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld; (…)

c. anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Op grond van het derde lid kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.

4.1.3.

In artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat een uitkering die op grond van deze wet onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het Uwv onverschuldigd is betaald of verstrekt, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het vierde lid kan het Uwv indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.1.4.

Op grond van artikel 12 van de TW is degene die aanspraak maakt op een toeslag verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan het hem of haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.

4.1.5.

Op grond van artikel 11a van de TW herziet het Uwv een besluit tot toekenning onder meer indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 van de TW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag.

4.1.6.

In artikel 20, eerste lid, van de TW is bepaald dat de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.1.7.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wtcg heeft de persoon die van rechtswege verzekerd is op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en recht heeft op een uitkering in verband met een arbeidsongeschiktheid van 35% of meer en de persoon die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35% of meer of op arbeidsondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten recht op een tegemoetkoming.

4.1.8.

In artikel 24, tweede lid, van de Wtcg zijn de voorschriften opgenomen met betrekking tot de terugvordering van verstrekte tegemoetkomingen.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2014:2011 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.3.

Artikel 3 van de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 230, bepaalt tot en met welke dag intrekking of herziening van uitkering met terugwerkende kracht plaatsvindt indien door toedoen van de verzekerde (als gevolg van het niet nakomen van een inlichtingenverplichting of een medewerkingsverplichting) ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering is verstrekt dan wel het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Voorts is geregeld tot en met welke dag intrekking of herziening plaatsvindt voor de situatie dat geen sprake is van toedoen of van een niet-nakoming van een verplichting maar het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn en bij samenloop van een of meer eerdergenoemde situaties.

4.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook - in geval van betwisting - die feiten aannemelijk te maken (ECLI:NL:CRVB:2015:1295 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

Wat is in dit geval gesteld ?

4.5.

Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante (in ieder geval) vanaf 15 juli 2010 in staat was tot het verrichten van loonvormende arbeid. Tevens wordt haar verweten dat zij op 9 juni 2009 en 12 mei 2010 de verzekeringsartsen van het Uwv met haar houding, gedrag en presentatie onjuist heeft geïnformeerd over haar gezondheidssituatie door een beeld van een ernstige psychiatrische stoornis op te roepen die geen betrouwbare weergave van haar situatie is gebleken. Volgens het Uwv is afdoende komen vast te staan dat in appellantes situatie sprake is van simulatie en schending van de in artikel 27 van de Wet WIA neergelegde inlichtingenverplichting.

Ten onrechte uitkering verstrekt ?

4.6.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en heeft terecht de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. De overwegingen van de rechtbank die aan die oordelen ten grondslag liggen worden onderschreven. Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

4.7.

Appellante heeft haar standpunt dat zij op 15 juli 2010 verdergaand beperkt was dan door verzekeringsartsen van het Uwv is aangenomen niet ondersteund met medische gegevens. De Raad gaat uit van de juistheid van de beperkingen per 15 juli 2010 zoals neergelegd in de FML van 30 januari 2012. De omstandigheid dat appellante wellicht gedwongen werd zich tijdens verzekeringsgeneeskundige onderzoeken op een bepaalde manier te gedragen vormt - wat daar ook van zij - geen beletsel de WIA-uitkering en toeslagen met terugwerkende kracht per 15 juli 2010 in te trekken.

4.8.

Anders dan appellante meent, kan uit het arrest van het EHRM inzake Hrdalo niet worden afgeleid dat samenhang bestaat tussen de in geding zijnde besluitvorming van het Uwv en een tegen appellante aanhangige stafprocedure. In de bestuursrechtelijke procedure van appellante is geen beslissing genomen op grond van het feit dat een strafrechtelijke procedure aanhangig is en heeft ook geen vaststelling plaatsgevonden omtrent haar schuld aan enig strafbaar feit. Het Uwv is op basis van eigen onderzoeksbevindingen tot de conclusie gekomen dat voor appellante per 15 juli 2010 bepaalde beperkingen moeten worden aangenomen. Het Uwv was dan ook niet gehouden appellante waarborgen te bieden als ware zij een verdachte in strafrechtelijke zin.

4.9.

Appellante heeft tegen de geschiktheid voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies geen zelfstandige gronden aangevoerd. Uitgaande van de juistheid van de FML van 30 januari 2012 zijn gelet op de motivering door de arbeidsdeskundigen de geselecteerde functies voor appellante passend te achten.

4.10.

Gelet op wat hiervoor onder 4.6 tot en met 4.9 is overwogen stelt de Raad zich achter het standpunt van het Uwv dat vanaf 15 juli 2010 de verstrekking van uitkering en toeslagen aan appellante in een rechtstreeks oorzakelijk verband moet worden gezien met haar simulatie en dat daarom moet worden gezegd dat, omdat sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA van minder dan 35%, daardoor ten onrechte vanaf die datum aan haar uitkering is verstrekt. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat er rechtens geen beletsel is voor het Uwv om de WIA-uitkering en toeslagen met terugwerkende kracht per 15 juli 2010 in te trekken.

4.11.

De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat het Uwv de onverschuldigd betaalde WIA-uitkering en toeslag op grond van de TW moet terugvorderen tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, is niet gebleken. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv op goede gronden de ten onrechte verstrekte tegemoetkoming op grond van de Wtcg heeft teruggevorderd.

4.12.

Het overwogene onder 4.1.1 tot en met 4.11 leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I. Mehagnoul

AP