Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4766

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2015
Datum publicatie
28-12-2015
Zaaknummer
15-19 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WIA-uitkering. Inkomen uit arbeid. Opdracht tot herstel gebrek over de berekening over 2011 en terugvorderingsbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/19 WIA-T, 15/21 WIA-T

Datum uitspraak: 7 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

1 december 2014, 14/924 en 14/1570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. C.C.M. Peper, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weerd. De door appellant meegebrachte getuige [Y.] is gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, die in 2005 voor zijn werkzaamheden van internationaal chauffeur is uitgevallen vanwege rugklachten, is met ingang van 14 januari 2007 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering (hierna: WGA-uitkering) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Vanaf 14 januari 2009 ontvangt appellant een WGA-loonaanvullingsuitkering (hierna eveneens: WGA-uitkering). De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%.

1.2.

Naar aanleiding van een melding is door de afdeling handhaving van het Uwv een onderzoek ingesteld. Op grond van een onderzoeksrapport van 9 oktober 2013 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 arbeid heeft verricht en daaruit inkomen heeft genoten. Dit heeft hij niet bij het Uwv gemeld.

1.3.

Bij afzonderlijke besluiten van 1 november 2013 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 herzien, wegens inkomen uit arbeid. Het Uwv heeft van appellant teruggevorderd de hem over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 onverschuldigd betaalde WGA-uitkering ten bedrage van € 50.281,05.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen deze besluiten is bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.5.

Bij besluit van 23 januari 2014 heeft het Uwv bepaald dat appellant het teruggevorderde bedrag van € 50.281,05 binnen zes weken dient terug te betalen. Bij besluit van 17 maart 2014 heeft het Uwv bepaald dat het teruggevorderde bedrag in maandelijkse termijnen van netto

€ 585,45 op zijn WGA-uitkering wordt ingehouden.

1.6.

Het bezwaar van appellant tegen deze invorderingsbesluiten is bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant in de periode in geding inkomen uit arbeid heeft ontvangen. Nu appellant geen inzage heeft gegeven in de omvang van zijn werkzaamheden en de hoogte van zijn inkomen, heeft het Uwv naar vaste rechtspraak het inkomen schattenderwijs mogen vaststellen. Het Uwv heeft de berekening van het inkomen gebaseerd op verschillende bedragen die in de periode in geding vanuit de ondernemingen waarvan appellant (enig) aandeelhouder en bestuurder is geweest aan hem zijn overgemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wijze waarop het inkomen uit arbeid is geschat, deugdelijk is. Appellant heeft zijn standpunt dat de betalingen die uit zijn bankrekening blijken betrekking hebben op een terugbetaling van een lening, onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv de WGA-uitkering van appellant terecht heeft ingetrokken (lees: herzien) en terecht het onverschuldigd aan uitkering betaalde bedrag heeft teruggevorderd. Ook de invordering houdt naar het oordeel van de rechtbank stand nu appellant geen afzonderlijke inhoudelijke gronden daartegen heeft aangevoerd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden aangevoerd als in bezwaar en in beroep. Appellant blijft van mening dat hij geen werkzaamheden heeft verricht behoudens het uitvoeren van bestuurstaken voor de ondernemingen. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat hij geen inkomen uit arbeid heeft ontvangen. Voor zover van inkomen moet worden gesproken, is appellant van mening dat dit inkomen door het Uwv onjuist is vastgesteld. Appellant heeft opnieuw gesteld dat de betalingen die hij heeft ontvangen betrekking hebben op aflossingen van een lening. Voorts heeft appellant gesteld dat hij het in 2011 ontvangen bedrag van € 18.000,- nimmer feitelijk in handen heeft gehad. Met dit bedrag heeft appellant een nieuwe beheersmaatschappij opgericht.

3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 3.1 van de aangevallen uitspraak. Tevens is van belang dat op grond van

artikel 61 van de Wet WIA, zoals deze bepaling ten tijde in geding gold, bij de berekening van de WGA-uitkering rekening wordt gehouden met verworven inkomen uit arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.

4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat uit het onderzoeksrapport van

9 oktober 2013 blijkt dat appellant in de periode in geding (enig) aandeelhouder en (statutair) bestuurder is geweest van verschillende ondernemingen (besloten vennootschappen). Zo is appellant van 15 december 2008 tot 29 maart 2011 enig aandeelhouder geweest van [B.V. 1], welke vennootschap tot 24 januari 2011 enig aandeelhouder is geweest van [B.V. 2] (handelsnaam: [handelsnaam]). Vervolgens is op 29 maart 2011 [handelsnaam] opgericht door appellant, als middellijk aandeelhouder via zijn [B.V. 3] samen met [X.], als middellijk aandeelhouder via zijn [B.V. 4] Uit de verklaringen die appellant heeft afgelegd blijkt dat hij voor de besloten vennootschap [handelsnaam] verschillende werkzaamheden heeft verricht, zoals het versturen van facturen, opleveringen en het bijwonen van vergaderingen. Verder blijkt uit de onderzoeksgegevens dat appellant de beschikking had over een lease-auto, een tankpas en een zakelijke telefoon. Uit de bij het rapport gevoegde bankrekeningoverzichten blijkt dat in de jaren 2009 tot en met 2012 vanuit de ondernemingen [B.V. 2] en [handelsnaam] geld is overgemaakt aan appellant.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat op grond van het onderzoeksrapport voldoende is komen vast te staan dat appellant in de periode dat hij een WGA-uitkering ontving werkzaamheden heeft verricht. De arbeidsinbreng van appellant in de verschillende vennootschappen, waaronder het uitvoeren van beheers- en beleidsbeslissingen, dienen aangemerkt te worden als werkzaamheden die een economische waarde vertegenwoordigen. Hiervan heeft appellant geen mededeling aan het Uwv gedaan zodat hij de op hem ingevolge artikel 27 van de Wet WIA rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Bij schending van de inlichtingenplicht mag het Uwv ingevolge vaste rechtspraak (uitspraak van 11 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0252) de inkomsten op een redelijke wijze schatten, als de omvang niet meer kan worden bepaald aan de hand van betrouwbare schriftelijke gegevens. Appellant heeft de mogelijkheid om deze schatting te weerleggen met ondubbelzinnige, concrete en verifieerbare inkomensgegevens. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat het bewijsrisico bij appellant berust.

4.6.

Het Uwv heeft het inkomen uit arbeid van appellant berekend op basis van bedragen die in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2012 vanuit de ondernemingen DitService B.V en DitDesign B.V zijn overgemaakt naar de privé-bankrekeningen van appellant. Op basis van de bankafschriften heeft het Uwv de navolgende (totaal)bedragen in aanmerking genomen:

periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 € 8.000,00;

periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 € 22.535,00;

periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 € 40.618,82;

periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 € 1.500,00.

4.7.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv de bedragen over de jaren 2009, 2010 en 2012 terecht als inkomen uit arbeid heeft beschouwd. Appellant heeft deze berekening van het inkomen niet met bewijsmiddelen kunnen weerleggen. Dat appellant in 2010 een bedrag van € 735,- als glassubsidie van [handelsnaam] heeft ontvangen, heeft hij niet onderbouwd. Evenmin heeft appellant onderbouwd dat de gestorte bedragen betrekking hebben op terugbetalingen van een lening van € 20.000,-. De (niet-ondertekende) leenovereenkomst van 31 maart 2011 is daartoe onvoldoende. Vooral nu appellant tijdens het eerste verhoor uitdrukkelijk heeft verklaard geen lening van € 20.000,- met [handelsnaam] te hebben afgesloten. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan afgeweken wordt van het uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de eerste, tijdens een opsporingsonderzoek afgelegde verklaring wordt uitgegaan, is niet gebleken. Aan de verklaring van [Y.], die eerst in hoger beroep is opgesteld, wordt om die reden niet de betekenis toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien.

4.8.

Het Uwv handhaaft niet langer de berekening van het inkomen uit arbeid over het jaar 2011. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv erkend dat het door appellant ontvangen bedrag van € 1.318,82 niet als inkomen uit arbeid is te beschouwen. Verder wordt geoordeeld dat het ontvangen bedrag van € 18.000,- evenmin als inkomen uit arbeid moet worden beschouwd. Uit de bankafschriften blijkt dat dit bedrag afkomstig is van appellants onderneming [B.V. 1], met welk bedrag appellant een nieuwe beheermaatschappij, [B.V. 3], heeft opgericht. Appellant wordt gevolgd in zijn standpunt dat gesproken moet worden van een vermogensoverdracht tussen de ondernemingen. De overige betalingen van in totaal € 21.300,- zijn terecht door het Uwv bij de berekening van het inkomen uit arbeid betrokken. Er bestaat geen aanleiding over deze betalingen anders te oordelen dan is gedaan in overweging 4.7.

4.9.

Gelet op hetgeen is overwogen in 4.8 heeft het Uwv ten onrechte geconcludeerd dat alle in 2011 vanuit de ondernemingen gedane betalingen op de bankrekeningen van appellant als inkomen uit arbeid zijn te beschouwen. Het Uwv heeft daarmee geen juiste berekening gemaakt van het voor appellant in aanmerking te nemen inkomen uit arbeid over de periode

1 januari 2011 tot en met 31 december 2011.

4.10.

Uit de overwegingen 4.8 en 4.9 vloeit voort dat de herziening van de WGA-uitkering en de daaruit voortvloeiende terugvordering over de periode van 1 januari 2011 tot en met

31 december 2011 onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het Uwv zal het inkomen uit arbeid van appellant over het jaar 2011 nader dienen te berekenen. Ook zal een nadere berekening van het terugvorderingsbedrag dienen te volgen.

4.11.

Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil wordt het Uwv met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht opdracht gegeven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door alsnog de in 4.10 bedoelde berekening te maken en zo nodig nieuwe besluiten tot herziening en terugvordering te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2015.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. van Wijk

UM