Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
14/3255 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomsten uit arbeid. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de blokkering bijstand. De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beëindiging bijstand. De brutering van de terugvordering bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2016/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3255 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 april 2014, 13/5925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Visscher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 10 november 2015. Namens appellant is verschenen mr. Visscher. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H. de Vos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 september 2006 tot 7 oktober 2011 samen met zijn partner

[X.] bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 7 oktober 2011 ontving appellant bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Uit onderzoek in het kader van het project “scan handhaving 2010” is onder meer naar voren gekomen dat appellant op marktplaats.nl met onderhoudswerkzaamheden adverteerde. Op grond hiervan heeft de Sociale Recherche Amersfoort (sociale recherche) een vervolgonderzoek ingesteld naar mogelijke uitkeringsfraude. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 4 juli 2012, een proces-verbaal van 5 juli 2012 en een aanvullend proces-verbaal van 15 augustus 2012.

1.3.

Lopende het onderzoek heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2012 geblokkeerd.

1.4.

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college de bijstand van appellant vanaf 1 september 2006 ingetrokken en met ingang van 24 juli 2012 beëindigd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij op marktplaats.nl onder meer grootschalig adverteerde als schilder/klusser en dat hij schilderwerkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Voorts heeft appellant niet gemeld dat hij vanaf

14 november 2011 bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven als zelfstandig zorgverlener en dat hij in opdracht van [het zorgbureau P.] van 20 november 2011 tot 30 mei 2012 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Door deze schending van de inlichtingenverplichting is het recht op bijstand vanaf 1 september 2006 niet langer vast te stellen.

1.5.

Bij besluit van 14 augustus 2012 heeft het college de over de periode van 1 september 2006 tot 1 juni 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 99.982,86 van appellant teruggevorderd.

1.6.

Bij besluit van 4 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de blokkering en de beëindiging van de bijstand niet-ontvankelijk verklaard, de bezwaren tegen de intrekking en de terugvordering van de bijstand gedeeltelijk gegrond verklaard, de intrekking beperkt tot de maand mei 2011 en de periode van 20 november 2011 tot 24 juli 2012 en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 9.086,96 bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat het college zijn bezwaren tegen de blokkering en de beëindiging van de bijstand ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat het college de terugvordering ten onrechte heeft gebruteerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de blokkering

4.1.

Het college heeft het bezwaar tegen de blokkering niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat door de intrekking van de bijstand de blokkering geen feitelijke en juridische betekenis meer heeft en dat ook anderszins niet is gebleken dat appellant nog een belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat besluit. Appellant bestrijdt dit. In dit verband heeft appellant aangevoerd dat hij aanspraak heeft op vergoeding van geleden schade en van de kosten gemaakt in bezwaar.

4.1.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.1.2.

In hoger beroep is de rechtmatigheid van de intrekking van de bijstand over de periodes mei 2011 en 20 november 2011 tot 24 juli 2012 niet langer in geschil. Onder deze omstandigheid heeft appellant geen belang meer bij het ongedaan maken van de blokkering per 1 juni 2012. Dit neemt echter niet weg dat hij om andere redenen nog processueel belang kan hebben bij een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar.

4.1.3.

Appellant heeft zijn stelling dat hij aanspraak heeft op vergoeding van geleden schade verder niet onderbouwd. Een voldoende procesbelang kan echter ook gelegen zijn in een door de bezwaarmaker ingediend verzoek om vergoeding van de kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs zijn gemaakt. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voor vergoeding van deze kosten slechts plaats voor zover het bestreden (primaire) besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Dit betekent dat het verzoek niet kan worden

toe- of afgewezen zonder dat eerst de rechtmatigheid van het primaire besluit is beoordeeld. Hieruit volgt dat het college ten onrechte het bezwaar wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt in zoverre. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de blokkering van de bijstand.

4.1.4.

De Raad zal de zaak zelf afdoen en overweegt daartoe het volgende.

4.1.5.

Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9288) hangt het antwoord op de vraag of het blokkeren van de uitbetaling van de bijstand de rechterlijke toetsing kan doorstaan in het algemeen af van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op bijstand niet meer bestaat, dat slechts recht op een lagere uitkering bestaat, of dat de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Op grond van de bevindingen van het onderzoek in het kader van het project “scan handhaving 2010” en het daarna ingestelde vervolgonderzoek naar mogelijke uitkeringsfraude in verband met het veelvuldig adverteren van appellant als klusser/schilder op marktplaats.nl, kon het college het gegronde vermoeden hebben dat appellant zijn inlichtingenverplichting niet was nagekomen. Het college is dan ook op goede gronden tot blokkering van de uitbetaling van de bijstand is overgegaan. Gelet hierop zal het bezwaar tegen de blokkering van de bijstand ongegrond worden verklaard.

De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beëindiging

4.2.

Het college heeft het bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. Appellant heeft aangevoerd dat hij wel gronden heeft aangevoerd tegen de beëindiging. De gronden gericht tegen de intrekking van de bijstand zagen mede op de beëindiging van de bijstand met ingang van 24 juli 2012.

4.2.1.

Bij brief van 27 juli 2012 heeft appellant pro forma bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 juli 2012, waarin de bijstand zowel werd ingetrokken als beëindigd. In zijn aanvulling van de gronden van bezwaar van 19 september 2012 heeft appellant onder het kopje “T.a.v. de beëindiging en intrekking vanaf september 2006-juni 2012” gronden aangevoerd. Dat deze gronden inhoudelijk slechts zagen op de periode van intrekking, betekent niet dat appellant niet heeft voldaan aan de vereisten als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.

4.2.2.

Uit 4.2.1 volgt dat het college het bezwaar van appellant gericht tegen de beëindiging van de bijstand per 24 juli 2012 ten onrechte met toepassing van artikel 6:6 van de Awb

niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover deze ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand. In het kader van finale geschilbeslechting overweegt de Raad het volgende. Zoals het college ter zitting terecht heeft aangevoerd, brengt de niet betwiste omstandigheid dat appellant op 24 juli 2012 als zelfstandige stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en werkzaamheden als zelfstandige verrichtte reeds mee dat appellant geen bijstand op grond van de WWB toekwam. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de beëindiging van de bijstand per 24 juli 2012 onrechtmatig is. Gelet hierop zal het bezwaar tegen de beëindiging ongegrond worden verklaard.

De brutering van de terugvordering

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 juli 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB0561) moet worden afgezien van de uitoefening van de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de WWB neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de schuld niet reeds heeft voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

4.3.2.

Vast staat dat het college de bijstand over mei 2011 en over de periode van 20 november 2011 tot 24 juli 2012 heeft mogen intrekken en de kosten hiervan heeft mogen terugvorderen omdat appellant het college niet heeft ingelicht over zijn inkomsten in deze periodes. Daarmee staat tevens vast dat appellant een verwijt treft ten aanzien van het ontstaan van de vordering. Het maken van bezwaar schorst niet de werking van een besluit tot terugvordering. Dat appellant ervoor heeft gekozen hangende zijn bezwaar tegen de terugvordering de vordering niet te voldoen, moet voor zijn rekening en risico blijven. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het college bevoegd was de vordering na

31 december 2012 te bruteren en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5. Gelet op wat is overwogen in 4.1.3 en 4.2.2, bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 980,- in beroep en € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Omdat de besluiten van 1 juni 2012 en 24 juli 2012 niet worden herroepen, bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het college in de kosten die appellant in verband met de behandeling van de bezwaren heeft moeten maken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de niet-ontvankelijkverklaring van de

bezwaren tegen de blokkering en de beëindiging van de bijstand in stand zijn gelaten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 oktober 2013 in zoverre;

- verklaart de bezwaren tegen de blokkering en de beëindiging van de bijstand ongegrond en

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 4 oktober 2013;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD