Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
14/792 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-verschoonbare termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/792 WWB

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 januari 2014, 13/4194 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad (college)

PROCESVERLOOP

Namens [X.], broer van appellante (broer), in diens hoedanigheid van curator van appellante, heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Namens appellante is verschenen mr. Gloudi. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Timmermans en T. Wever.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Appellante stond ingeschreven op het [adres 1] te [woonplaats]. Het college heeft de uitbetaling van de bijstand geblokkeerd met ingang van 1 september 2010, nadat het college had geconstateerd dat deze woning werd onderverhuurd. In december 2010 heeft het college een voorschot verstrekt van € 1.500,- naar aanleiding van de mededeling van appellante dat zij zich zou laten inschrijven op het [adres 2] te [woonplaats] (uitkeringsadres), het adres van de broer. Met ingang van 17 januari 2011 staat appellante ingeschreven op het uitkeringsadres.

1.2.

Bij besluit van 14 maart 2011 (intrekkingsbesluit) heeft het college de bijstand ingetrokken met ingang van 1 september 2010. Dit besluit is verzonden naar het uitkeringsadres.

1.3.

Met ingang van 27 november 2012 is de broer tot curator van appellante benoemd.

1.4.

Bij brief van 14 december 2012 heeft de broer in zijn hoedanigheid van curator van appellante bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit.

1.5.

Bij besluit van 19 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het intrekkingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij betoogt dat zij al bij brief van 10 maart 2011, dus voortijdig, bezwaar heeft gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. Verder is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding wegens de psychische problemen van appellante.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevat een bezwaarschrift ten minste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht.

4.2.

Met de brief van 10 maart 2011 deelt appellante mee dat zij een nieuw adres heeft, namelijk het uitkeringsadres. Appellante heeft daarin geen woord gewijd aan de intrekking van de bijstand, of zelfs maar aan de gestaakte betaling daarvan, toen al meer dan een half jaar daarvoor. In de brief ontbreekt daarmee een aanduiding van het intrekkingsbesluit waartegen het bezwaar gericht zou zijn. Daarom kan de brief niet worden aangemerkt als een prematuur bezwaarschrift tegen het intrekkingsbesluit.

4.3.

Appellante heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij vanaf de datum van het intrekkingsbesluit tot aan haar ondercuratelestelling voortdurend niet in staat is geweest haar belangen te onderkennen en daarnaar te handelen. Dat zij daartoe wel in staat is geweest, volgt reeds uit het feit dat zij vanaf de blokkering van de bijstand telefonisch contact heeft opgenomen met de gemeente en dat zij nog vlak voor het intrekkingsbesluit zelf een adreswijziging aan het college heeft doorgegeven. Dit wordt niet anders door de constatering van de huisarts van appellante medio 2011 dat appellante zichzelf verwaarloost, maar geen gevaar is voor zichzelf en anderen, dat zij verder achteruitgaat en dat mogelijk in de toekomst een crisissituatie ontstaat. Ook de brief van 20 juni 2011 van de GZ-psycholoog en de psychiater van GGZ Centraal Meerzicht, inhoudende dat appellante een zorgmijder is en dat zij bij een vorige behandeling meestal niet op afspraken kwam, brengt niet mee dat appellante niet in staat is geweest om vanaf 14 maart 2011, ook niet op enig moment, in te zien dat zij geen geld meer ontving en daar zelf iets aan te doen of daarbij iemand in te schakelen, bijvoorbeeld de broer en latere curator op wiens adres zij toen al verbleef. Dit volgt ook niet uit de diagnose bipolaire stoornis, die de huisarts in september 2012 heeft onderkend.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat geen sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding.

4.5.

Uit 4.2 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.H. Bel en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C. Moustaïne

HD