Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:4752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2015
Datum publicatie
29-12-2015
Zaaknummer
15/7163 BBZ-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening. Geen spoedeisend financieel belang. Verzoeker heeft onvoldoende met objectieve en verifieerbare stukken inzichtelijk gemaakt dat uitbetaling van het achterstallig loon tot gevolg heeft dat hij zijn onderneming moet staken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7163 BBZ-VV

Datum uitspraak: 22 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2015, 14/1909

(aangevallen uitspraak).

Tevens heeft mr. Van Braam namens verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Op verzoek van de Raad heeft verzoeker gegevens overgelegd die betrekking hebben op zijn actuele financiële- en inkomenspositie.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant exploiteert sinds 2009 als zelfstandig ondernemer de kapperszaak “[Z.]” te [X.]. Op 15 november 2011 heeft hij verzocht om algemene bijstand ingevolge het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Bij besluit van 30 november 2011 heeft het college de gevraagde bijstand toegekend over de periode van 2 november 2011 tot 2 mei 2012. Hierna heeft het college de uitkeringsduur twee maal verlengd met een periode van zes maanden. Op 30 maart 2013 heeft verzoeker wederom om verlenging van de bijstand ingevolge het Bbz 2004 verzocht. In het kader van dit verzoek heeft het college Friedeberg Consultancy B.V. (FCBV) verzocht een onderzoek in te stellen naar de levensvatbaarheid van het bedrijf van verzoeker, hiervan een rapport op te stellen en een advies uit te brengen over de aanvraag. Op 29 mei 2012 heeft FCBV het rapport uitgebracht. Hierin is FCBV tot de conclusie gekomen dat het bedrijf niet levensvatbaar is en heeft zij geadviseerd de aanvraag af te wijzen.

1.2.

Bij besluit van 4 juni 2013 heeft het college verzoeker bijstand verleend tot 1 november 2013. Tevens heeft het college verzoeker meegedeeld dat verdere verlenging van de uitkeringsduur niet mogelijk is en dat aan de uitkering de voorwaarde wordt verbonden dat hij zijn zelfstandige activiteiten uiterlijk op 31 oktober 2013 beëindigt.

1.3.

Verzoeker heeft op 5 november 2013 opnieuw bijstand ingevolge het Bbz 2004 aangevraagd. Bij besluit van 2 december 2013 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is. Bij besluit van 22 april 2014 heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 4 juni 2013 gegrond verklaard, het besluit van 4 juni 2013 herroepen en de aanvraag opnieuw afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank en tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 12 juni 2014, 14/1908, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek afgewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank was onvoldoende onderbouwd dat sprake was van onverwijlde spoed waardoor de behandeling van het beroep niet kon worden afgewacht.

2.1.

Bij uitspraak van 8 januari 2015, 14/1909, heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan en het college in de gelegenheid gesteld een motiveringsgebrek te herstellen. Bij besluit van 12 maart 2015 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 22 april 2014 ingetrokken, een nieuw besluit op bezwaar genomen en het bezwaar tegen het besluit van 2 december 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college wederom ten grondslag gelegd dat het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar is.

2.2.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen het besluit van 22 april 2014 mede gericht geacht tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 april 2014 niet-ontvankelijk verklaard, en voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, kort samengevat, in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat en waarom het bedrijf van verzoeker niet levensvatbaar is.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Kort samengevat betwist hij het oordeel dat zijn bedrijf niet levensvatbaar is. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe hem een voorschot te verlenen van € 6.500,-.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8:104, eerste lid, en artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

De voorzieningenrechter wijst allereerst op vaste rechtspraak (uitspraak van 2 december 2003 ECLI:NL:CRVB:2013:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

4.3.

De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute

(dus actuele) spoedeisendheid.

4.4.

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het door hem gestelde spoedeisend belang gesteld dat de uitspraak van de rechtbank onjuist is. Het verzochte bedrag van € 6.500,- heeft betrekking op achterstallig loon dat hij is verschuldigd aan zijn werkneemster [M.] (M). Hoewel, gelet op een positief resultaat in 2014 en een verwacht positief resultaat over 2015, volgens verzoeker thans sprake is van een levensvatbaar bedrijf, is het hem niet gelukt reserves op te bouwen. Indien hij tot uitbetaling van het achterstallig loon zou moeten overgaan, zou dat volgens verzoeker betekenen dat hij zijn onderneming alsnog zou moeten staken.

4.5.

De beantwoording van de vraag of, gelet op de betrokken belangen, sprake is van onverwijlde spoed, spitst zich in het onderhavige geval toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang. Wat verzoeker in dit verband naar voren heeft gebracht, geeft daarvan geen blijk. De omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven, vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vordert.

4.6.

Voorts is niet gesteld en ook niet gebleken dat sprake is van een financiële noodsituatie in die zin dat verzoeker sinds de aangevallen uitspraak geen enkele vorm van inkomsten meer heeft en rekeningen niet meer kan betalen. Uit de door verzoeker overgelegde afschriften van zijn privérekening en van de zakelijke rekening van zijn onderneming over de maand oktober 2015 blijkt dat hij geld van de zakelijke rekening heeft overgemaakt naar zijn privérekening en zijn vaste lasten kan betalen.

4.7.

Wat verzoeker verder heeft aangevoerd, levert evenmin grond op om te oordelen dat sprake is van een actueel financieel spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Verzoeker heeft onvoldoende met objectieve en verifieerbare stukken inzichtelijk gemaakt dat uitbetaling van het achterstallig loon tot gevolg heeft dat hij zijn onderneming moet staken. M heeft verzoeker bij brief van 30 september 2015 weliswaar verzocht om tot uitbetaling van het achterstallig loon over te gaan, maar niet is gebleken dat zij reeds stappen heeft ondernomen om haar loonclaim te effectueren. De door verzoeker geschetste situatie doet zich thans dan ook nog niet voor. De omstandigheid dat M heeft meegedeeld in afwachting van de uitkomst van de voorlopige voorzieningsprocedure voorlopig van nadere stappen af te zien, maakt dat niet anders. Zoals ook de voorzieningenrechter van de rechtbank in de uitspraak van 12 juni 2014 heeft overwogen, is het niet aannemelijk dat, indien daadwerkelijk sprake is van een levensvatbaar bedrijf, verzoeker niet een regeling kan treffen met betrekking tot de uitbetaling van het achterstallig loon.

4.8.

Tot slot heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ander spoedeisend belang als gevolg waarvan de behandeling in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarden. Gelet hierop is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. Het verzoek wordt daarom met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2015.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) R.B.E. van Nimwegen

HD